in je ‘diep verzonken-ik’

Wel aanwezig, toch afwezig,
heel dichtbij, maar toch ver heen.
heel vertrouwd, toch onherkenbaar
bij elkaar, maar toch alleen.
Zo diep in je ‘ik’ verzonken,
geen reactie meer te zien.
Toch geef ik fysieke prikkels
en zo voel je mij misschien.

Want ik aai je door je haren,
ik geef kusjes op je hoofd.
Tot de dood ons eens zal scheiden,
dat heb ik jou ooit beloofd.
Ik zing ook jouw liev’ lings liedjes,
met mijn mond dicht bij je oor,
misschien tegen beter weten,
dringt er toch nog iets van door.

En zo moet ik wel aanvaarden,
wat zo onaanvaardbaar is.
En al ben ik heel dichtbij je,
ik voel dat ik je nu al mis.
Wel aanwezig, toch afwezig,
heel dichtbij, maar toch ver heen.
heel vertrouwd, toch onherkenbaar
bij elkaar, maar toch alleen.

© Hans Cieremans

 

morgen is er weer een dag

Ik probeer je te bereiken,
maar het lukt me niet vandaag.
Waarom weiger je mijn aandacht?,
dat is wat ik mij afvraag.
Is het een teveel aan prikkels
of is het juist eenzaamheid?
Je bent afwezig en verdrietig,
en je bent van alles kwijt.

Ik moet weg, zo laat je blijken,
wat ik doe, ‘k krijg geen contact
En zo zit je in een  rolstoel,
huilend onderuit gezakt.
Als ik jou probeer te troosten
word je boos, scheld je mij uit.
‘k Merk dat als ik dichtbij kom,
ik alleen op weerstand stuit.

Wat me dan het meeste pijn doet,
dat jij me niet meer herkent.
Vroeger noemde jij me ‘liefste’,
nu ben ik een ‘vieze vent’.
‘k ga naar huis, want langer blijven,
heeft vandaag geen enk’ le zin
En ik kan je wel vertellen,
dat beukt er behoorlijk in.

Thuis ga ik mijn potje koken
dat doe ik nog altijd zelf.
‘k Kijk tv en ik ga slapen,
meestal rond een uur of elf.
Maar ik kan de slaap niet vatten,
‘k voel me rot door jouw gedrag.
Maar ik houd vol, ik blijf komen,
morgen is er weer een dag.

© Hans Cieremans

blijf jij bij mij?

Blijf jij bij mij, nu ik weg zak
in mijn wereld waar ik leef,
waar ik dreig jou te vergeten,
terwijl ik heel veel om je geef?
Blijf jij bij mij, als ik boos doe
en ik jou niet meer vertrouw?
Want al ben ik achterdochtig,
‘k houd ontzetten veel van jou.

Blijf jij bij mij, nu ik dwalend
steeds op zoek ben naar mijn ‘ik’,
die ik kwijt raak in mijn bubbel,
waar ik steeds meer in verstrik?
Blijf jij bij mij, ondanks twijfel
of ik jou nog wel herken?
‘k Heb je nodig in mijn wereld,
waar ik niet weet waar ik ben.

Blijf jij bij mij, nu mijn leven,
wegglipt in  vergetelheid,
waar de jaren en seizoenen
gaan verdampen in de tijd?
Blijf jij bij mij, als het ook lijkt
dat mijn levenszin verbleekt?
Want haast alles is zo zinloos,
als jouw aandacht mij ontbreekt.

Blijf jij bij mij, nu ik bang ben
voor de toekomst die niet is,
voor mijn vrienden en geliefden
die er zijn, maar die ik mis?
Blijf jij bij mij, heel dichtbij mij
ook al ben ik heel ver heen?
Houd me vast tot ik je loslaat,
laat mij nooit, nee nooit alleen.

© Hans Cieremans

alleen zijn

Bij het raam zwaait hij zijn vrouw na,
zij was bij hem om bezoek.
Nog een handkus en een glimlach,
dan verdwijnt ze om de hoek.
Hij gaat op zijn plekje zitten,
vreemde mensen om hem heen,
lieve zusters, lieve broeders,
maar toch voelt hij zich alleen.

Op de hoek zwaait zij haar man toe,
hij woont in ’t verpleegtehuis.
Na zowat een half uurtje
dan is ze weer eind’ lijk thuis.
Maar het is niet meer als vroeger,
zonder manlief om haar heen.
Ja, de kinderen die komen,
maar toch voelt zij zich alleen.

En zo leven ze gescheiden,
het is tegen wil en dank.
Zuster geeft hem een kop koffie,
zij gaat dutten op de bank.
Beiden denken ze aan ‘samen’,
jarenlang waren ze bijeen.
‘Samen’ is totaal veranderd.
‘Samen’ voelt nu ‘heel alleen’.

© Hans Cieremans

Klachten

De bezoekers in ‘t verpleeghuis
zien hoe hard er wordt gewerkt.
Maar ze zien soms ook wel dingen,
die niet worden opgemerkt.
Het bezoek zegt tot verzorgers
wat ze anders willen zien.
De verzorging luistert meestal
en past het dan aan nadien.

Er zijn echter soms ook klachten,
die ’t bezoek niet graag vermeld.
omdat er bij hen dan angst is,
dat hun klagen wordt vergeld.
Of bezoek houdt klachten voor zich,
want men wil niet ‘lastig’ zijn.
’t Is gebrek aan het vertrouwen,
een tevreden ‘schone schijn’.

Klachten gaan vaak over aandacht
en over zorgvuldigheid.
‘Moeder heeft meer hulp nodig,
vader is veel spullen kwijt’.
Dan wordt er heel veel verbeterd,
als je luistert naar elkaar.
Want dan is er niemand lastig
en vergelding niet meer waar.

Werk aan wederzijds vertrouwen,
dat is van het grootst belang.
En vertel wat op je hart ligt,
wees voor openheid niet bang.
Iedereen streeft ’t zelfde doel na:
‘De cliënt staat steeds centraal’.
Goede sfeer, goede verzorging
willen wij toch allemaal.

© Hans Cieremans

af scheid van een veelbewogen leven

Nu jouw veelbewogen leven
langzaamaan tot stilstand komt,
waarbij toekomst nog maar kort duurt
en je levenslust verstomt.
En nu jouw gedachten dwalen
in een mistig labyrint,
zal ik altijd voor je klaar staan,
totdat jij de uitgang vindt.

Over slingerende paden
loopt de weg die jij moet gaan.
Na veel uitzichtloze bochten,
kom je bij de uitgang aan.
Dan pas laat ik los in liefde,
want hier is je reis passé.
De herinnering van samen
blijft bij mij, die neem ik mee.

‘k Laat je los in het vertrouwen,
dat het ginds veel beter is.
Al kan ik nog slecht bevatten,
hoe het voelt als ik je mis.
Want ik ben met jou verweven,
onlosmakelijk gehecht.
Het idee van het alleen zijn
maakt me bang en voelt heel slecht.

Nu jouw veelbewogen leven
vanuit mist straks stil gaat staan,
put ik kracht uit onze liefde.
Dat geeft moed om door te gaan.
Moed, gedragen door de liefde,
geeft die kracht, ondanks verdriet.
Niets is sterker dan de liefde,
liefde die begraaf je niet.

© Hans Cieremans

lente

’s Winters kun je ervan dromen,
dat de lente weer zal komen,
van de knoppen aan de bomen
en het smeltend sneeuwtapijt.
Je hoort vogeltjes weer zingen,
je voelt voorjaarstintelingen
en de wijzers die verspringen,
want het is weer zomertijd.

Je ziet alle bloemen kleuren,
je ruikt frisse lentegeuren,
iedereen lijkt op te fleuren,
lekker zonnend uit de wind.
Voelen, horen, kijken, ruiken,
alle zintuigen gebruiken
als de lente gaat ontluiken,
’t voorjaar is ons goedgezind.

Ook de Alzheimerpatiënten,
die genieten van de lente
ondanks alle mankementen,
hebben zij lentegevoel.
Want door lenteprikklingen,
lijk je bij hen door te dringen,
basis voor herinneringen,
je snapt vast wat ik bedoel.

© Hans Cieremans

achter de horizon

Ik zou graag eens bij jou kijken,
ginds achter de horizon.
Zomaar weten of het goed gaat,
‘k wou dat ik dat even kon.
Of ben jij daar niet te vinden,
is er niets meer na de dood?
’t Is een groot geheim voor ieder
een mysterie levensgroot.

Stiekem hoop ik op een plekje
waar je heel gelukkig bent.
Waar je mij weer kunt omhelzen,
zoals wij waren gewend..
Nu zie ik je in mijn dromen
en ondanks vertwijfeling,
leef je zo voort in gedachten,
diep in mijn herinnering.

Ik zou graag eens bij jou kijken,
ginds achter de horizon.
Zomaar weten of het goed gaat,
‘k wou dat ik dat even kon.
Ach, de toekomst zal het leren:
Is het utopie of waar?
Maar als ‘k iets zou mogen wensen,
komen wij weer bij elkaar.

© Hans Cieremans

reminiscentie

Ik weet nog goed, in ‘onze tijd’
hadden we haast niets.
We deelden elkaars kleding
en ook een oude fiets.
Toch waren we tevreden
en hadden ook veel pret.
Ik sliep toen met mijn broertje
in een hoog stapelbed.

We speelden met Meccano,
we maakten vaak wat moois.
En we waren apentrots
op onze Dinky Toys.
We hadden geen tv in huis,
maar wel een radio
en luisterden naar ‘Pinkeltje’,
ach ja, dat ging toen zo.

De melkboer kwam langs de deur
en wat ik nooit vergeet:
‘Het touwtje uit de brievenbus,
waarmee hij open deed’.
Dan zette hij de flessen melk
in de lange gang.
’t Is die ‘goeie ouwe tijd’,
waar ‘k soms naar terug verlang.

Bij mooi weer buiten spelen,
met vriendjes op de stoep.
De jongens gingen voetballen,
de meisjes ‘hoelahoep’.
Een corner was een penalty,
twee corners was een goal.
We deden ‘dieffie met verlos’
op ’t plein van onze school.

En ’s avonds werd je opgefrist,
dat was in een lavet.
Na ‘het klokje zeven uur,
moesten we naar mijn bed.
We waren heel gelukkig
met wat die tijd ons gaf.
’t Is dankbare herinnering
geen mens pakt dat ooit af.

© Hans Cieremans

Liefde kent geen dementie

Het lukt mij niet meer te zeggen,
wat ik denk en wat ik voel,
wat ik weet en ben  vergeten,
wat ik hoop, wat ik bedoel.
Nu noem jij me onbegrepen
en het doet ons beiden zeer.
En het ergste van alles,
ik snap ook mezelf niet meer.

Want soms doe ik achterdochtig,
word ik agressief en boos.
Dat is teken van mijn onmacht,
ben ik bang en radeloos.
En als jij het moet ontgelden,
zie ik niets van jouw verdriet.
En dat dit dan kan gebeuren,
snap ik van mezelf ook niet.

Het ontbreekt me aan het inzicht,
dat ik niet jouw tranen zie.
Ik ben niet meer zoals vroeger,
door die rotte dementie.
Wat zou ik je nog graag zeggen,
zonder ruzie of gesnauw.
‘Jij bent alles in mijn leven,
lieve schat, ik houd van jou’.

© Hans Cieremans