Hoop en vertrouwen

Zal je mij opnieuw herkennen,
ergens aan de overkant?
Weet jij mij de weg te wijzen
in dat onbekende land?
Zal je mijn naam dan weer noemen,
pak je mij weer stevig beet,
in een innige omhelzing,
zoals jij dat vroeger deed?

Worden wij opnieuw gelukkig,
net zoals het vroeger was?
Toen de toekomst naar ons lachte
in het altijdgroene gras?
Zal verdriet dan zijn vergeten,
van jouw nare dementie?
Komen wij ooit bij elkander,
in hernieuwde energie?

In mijn twijfelend vertrouwen,
komen wij weer bij elkaar.
Bij vertrouwen kun je hopen,
wordt de toekomst minder zwaar.
Gaat vertrouwen ooit verloren,
dan is hoop een utopie.
Maar als het vertrouwen uitkomt,
weet ik dat ik jou weer zie.

© Hans Cieremans

Levenseinde

Zwijgend loopt de rij naar binnen,
mensen staken hun gesprek.
D’ afscheidsdienst gaat zo beginnen,
iedereen zoekt naar een plek.
Stil geschuifel tussen stoelen,
soms en snik of zachte kuch.
Het verdriet is goed te voelen,
het ging achteraf zo vlug.

‘Jesu joy of men’s desiring’
klinkt zacht op de achtergrond.
‘t Stemt de mensen tot ontroering,
mijn verlies, hun open wond.
Dan wordt er heel mooi gesproken
in een fraaie afscheidsspeech.
”t Leven dat is afgebroken,
was gelukkig niet voor niets.’

Mijn familie diep bewogen
bedankt het bezoek en God.
‘Wat de toekomst brengen moge’,
is het lied voor aan het slot.
Langs de kist lopen de gasten,
brengen nog de laatste groet,
aan hem die zijn levenslasten
afgelegd heeft. ’t Is voorgoed.

Zullen mensen hem begroeten,
die hem reeds zijn voor gegaan?
Zal hij liefdes weer ontmoeten
in een vredig nieuw bestaan?
De wens, vader der gedachten,
dat dit een illusie is?
Ik weet niet wat te verwachten,
ik weet slechts dat ik hem mis.

© Hans Cieremans

Waken

Rood is de secondewijzer,
die zich wegtikt in de tijd
‘k Volg minutenlang zijn rondjes,
maar de tel die ben ik kwijt.
Het duurt lang, ik zit te waken,
naast me ligt er een Margriet,
die ik pak, ik kijk slechts plaatjes,
want het lezen lukt me niet.

En die wijzer blijft maar draaien
in een monotone sleur.
In een klok met zwarte cijfers,
boven een gesloten deur.
Dan haal ik een beker koffie
uit de koffieautomaat.
Zo verstrijken hier de uren
en intussen wordt het laat.

‘k Krijg wat eten van de zuster
en ze kijkt of jij goed ligt.
Ik voel tranen, maar ik huil niet,
‘k geef een zoen op je gezicht.
Dan kijk ik weer naar die wijzer
en die draait nog altijd voort.
En ik zeg: ‘Jij was de liefste’.
Ik hoop dat jij dit nog hoort.

Rood is de secondewijzer,
die zich wegtikt in de tijd.
Zal hij nog veel rondjes draaien,
voordat onze weg zich scheidt?
De Margriet heb ik bekeken,
dus die leg ik naast me neer.
Ik waak tot jouw klokje stilstaat.
Zie ik jou daarna ooit weer?

 © Hans Cieremans

Schaamte

‘k Schaam me soms zo voor mijn partner,
haar gedrag is ongepast,
ongeremd, zonder decorum,
ze geeft heel wat overlast.
Want ze scheldt, ze vloekt en slaat me
en wil soms geen kleren aan.
Daarom heb ik haast geen zin meer,
bij haar op bezoek te gaan.

Ook de andere bezoekers,
klagen over haar gedrag.
Want de anderen cliënten
zijn door haar totaal van slag.
Bezoek vraagt om overplaatsing,
omdat dit het welzijn kost.
Ik snap ‘t wel, maar met verhuizen
is ’t probleem niet opgelost.

En nu krijgt mijn partner pillen,
waardoor zij wat suffig wordt.
Daardoor slaapt ze soms een uurtje,
maar ook dat is veel te kort.
Want als ik dan op bezoek kom,
is ‘t gedrag weer ongepast.
Schaam ik me voor de bezoekers,
dan is Leiden weer in last.

‘Waarom laat je haar hier blijven?
Jij ziet ook toch dat ze stoort’.
En het zijn dit soort reacties,
die ik heel vaak heb gehoord.
Ik zou het graag willen ontwijken,
want het maakt me heel erg moe.
Maar ze is en blijft mijn partner,
dus ik ga weer naar haar toe.

© Hans Cieremans

 

Liefde in vergetelheid

Met geheugen kwijt,
gaten in de tijd
en gevangen in dichte mist,
dwaalt hij doelloos rond
met zijn zielenwond,
die zijn ‘vroeger’ heeft uitgewist.

Zoveel lijkt vergeten,
zijn spiegelbeeld herkent hij niet.
’t Is zijn ‘niet meer weten’,
waardoor hij zichzelf niet ziet.

Komt er hoopvol ‘iets’
of een zinloos ‘niets’,
aan het eind, als hij heen zal gaan?
Als zijn lichtje dooft,
wat hij ook gelooft,
LIEFDE blijft altijd voortbestaan.

Spiegelbeeld verzonken
in zijn onbereikbaar ‘ik’.
Zal de hoop daar lonken,
na zijn laatste ogenblik?

Met geheugen kwijt,
gaten in de tijd
en gevangen in dichte mist.
Dwaalde hij steeds rond
tot hij rust hervond
toen zijn strijd eeuwig was beslist.

Nooit zal hij meer dwalen,
kent geen gat meer in de tijd,
Ziet het zonlicht stralen,
liefde in vergetelheid.

© Hans Cieremans

 

Mantelzorgelijk

Hij is een mantelzorger,
die poetst, die kookt, die wast
en de boodschappen pas doet,
als op haar wordt opgepast.
Hij helpt haar aan te kleden
en hij legt haar op bed.
Ook brengt hij haar dagelijks
vaak naar het toilet.

Hij is de mantelzorger
van zijn geliefde vrouw.
Haar dementie treft beiden hard,
het gaat ontzettend gauw.
Soms als ze boosaardig wordt,
laat zij niets van hem heel.
Als ze hem beschuldigt steeds,
dan wordt het hem te veel.

Hij is een mantelzorger,
hij overschrijdt zijn grens.
Zijn energie raakt opgebrand,
ook hij is maar een mens.
Maar hij heeft geen keuze,
hij draagt die zware last.
Zijn zorgmantel zit te strak,
een jas die niet meer past.

Hij is een mantelzorger,
zoals er velen zijn.
En menig mantelzorger is
aan ’t eind van zijn latijn.
De mantel van de liefde,
die nooit verloren gaat,
is als liefde zorgen wordt
soms in versleten staat.

© Hans Cieremans

De snoezelkamer

‘t Is een rustige omgeving,
met zacht licht, gedempte sfeer
en een aangepast muziekje,
wollen kussens, pluche beer.
Dat is in de snoezelkamer,
waar je ‘zintuigactiveert’,
waar je werkt aan welbevinden,
eigenwaarde stimuleert.

’t Is in die intieme ruimte,
waar beleving voorop staat,
een kalmerende omgeving,
waar het om ‘rustgeving’ gaat.
Kijken, horen, voelen, proeven,
alles geurt en kleurt er zwoel,
waar je rozig soms in slaap valt
met tevreden, goed gevoel.

Daar betreed je soms de wereld
van de diep demente mens.
Waar het brein het af laat weten,
zijn gevoelens heel intens.
Knuffels, lichtjes en geluiden,
scheerschuim, Boldoot, sop en zand.
’t Is de wonderlijke wereld
van hun eigen ‘snoezelland’.

© Hans Cieremans

Het land van ‘Indewar’

In het land van ‘Indewar’
heerst veel onbegrip.
Mensen zien wat jij niet ziet,
in een egotrip.
Ze dwalen en ze zoeken daar
en er is altijd mist.
En alles wat er vroeger was,
lijkt bijna uitgewist.

In het land van ‘Indewar’
zijn de klokken kwijt.
Dus de mensen hebben daar,
geen besef van tijd.
En als je dat land binnen komt,
word je niet herkend,
Zodat je vaak een vreemdeling
voor de bewoners bent.

In het land van ‘Indewar’
zijn mensen in hun schulp.
Omdat het daar chaotisch voelt,
vragen zij om hulp.
Als die hulp gegeven wordt,
met aandacht en respect,
dan trekt de mist wel even op,
totdat je weer vertrekt.

In het land van ‘Indewar’
kent men ook plezier.
Lekker eten en muziek,
het aaien van een dier,
Daar moeten wij voor zorgen dan,
verzachten zo hun pijn
Het is best eenvoudig hoor,
door er gewoon ‘te zijn’.

© Hans Cieremans

Het Alzheimer-gen

Niets zo zinloos, zo frustrerend,
zo verwoestend, irriterend,
niets ontziend en brein-verterend
als het erfelijke gen.
Wat je niet weet van tevoren,
waar je soms mee wordt geboren
en waarvan je krijgt te horen
door een CT- hersenscan.

Als de artsen je vertellen
en het risico voorspellen,
dat je hiermee krijgt te stellen,
dan weet jij alweer genoeg.
’t Zal je levensvreugd bedreigen,
kun je ‘t beter soms verzwijgen,
dat je dementie zult krijgen
en waarschijnlijk ook nog vroeg.

Durf je nog een toekomst plannen?
Hoe lang blijf je nog herkennen?
Hoe moet je hier nou aan wennen,
dat je eens zo wordt als hen,
die nu leven in vergeten,
die de namen niet meer weten,
hersencellen zijn versleten,
door een mensonterend gen?

Maar toch moet je blijven dromen,
dat het eens is te voorkomen
of vroegtijdig in te tomen
en je zo toch hopen laat.
Dat het gen is te bestrijden,
je van angsten kan bevrijden,
je niet zinloos hoeft te lijden,
dat het gen niet meer bestaat.

© Hans Cieremans

 

 

Ik mis je

Ik mis je nachtzoen,
voor het naar bed gaan.
Je ochtendhumeur,
als we weer opstaan.
Jouw zacht gekookt eitje
bij ons ontbijtje.
Ik mis je humor,
je grillen, je lach.
Ons lekkere wijntje,
iedere dag.
Jouw optimisme,
waar ik op kon leunen.
Ik mis je schouder,
waarop ik kon steunen.

Ik mis je hobby’s,
je babbels, je krantje.
ons dagelijks ritme,
jouw helpende handje.
Bij afspraken maken,
moeilijke zaken.
Ik mis jouw mening
en nu voel ik pas,
hoeveel ik het mis,
gewoon wie je was.
Ik mis echt alles,
zelfs je nukken.
Ik moet alleen verder,
ik hoop dat ‘t zal lukken.

Dat is niet eenvoudig,
dat is echt knokken.
Vallen en opstaan,
soms maak ik brokken.
Zie ik jouw spullen,
moet ik soms brullen.
Ik blijf je missen
maar ‘k ben je niet kwijt.
Je zit in mijn hart,
voor eens en altijd.
Ik kus je foto,
als ik naar bed ga.
Ik voel jouw liefde,
steeds als ik opsta.

© Hans Cieremans