Betutteling

‘Wilt u televisiekijken?
Geer en Goor zijn op tv.
Dat gaat over oude mensen,
ze zijn leuk hoor alle twee’.
Zuster zet dan de tv aan
en mevrouw kijkt Geer en Goor.
Dan roept zij: ‘Dit is afschuwelijk,
mens ik weet niet wat ik hoor’.

‘Lieve schat, zeg moet je plassen?
Zet je beentjes naast je bed.
Straks gaat zustertje je wassen,
ga maar gauw naar het toilet.
Lieverd, kijk daar is de poepdoos,
hahaha, de lieve scheet.
Moet je haar daar horen knallen.
Echt, ik heb het niet zo breed.

U bent klaar, maar o, wat zie ik,
uw pyjama vol met poep.
Gaat u daar maar even zitten,
zodat ik de zuster roep.
Dat is lachen, gieren brullen,
zuster die verschoont u hoor,
haha schat, ik heb geen spullen,
ik heb daar de kracht niet voor’.

‘Zuster zet u de tv uit,
want ik vind het echt niet leuk’.
‘O, mevrouw, nou dat is jammer,
want ik lach me steeds een deuk.
‘t Is reclame voor de oudjes,
maar ik zie u bent het zat.
Als u wilt gaat de tv uit,
‘k Zal het doen hoor, lieve schat’.

© Hans Cieremans

Alzheimer-spook

Alzheimer-spook
vol zwarte gaten
Herinnering,
vol met hiaten.
Vergeten dagen,
tienduizend vragen.
Bang, boos, soms vrolijk,
soms ook ontremd.
Soms heel verdrietig,
wiss’ lend gestemd.
Soms heel ver weg,
met je geheimen
Soms heel aanhank’ lijk
en heel dicht bij me.

Alzheimer-spook, wie je ook treft
met gaten slaan in het brein.
Ik denk dat jij veel te weinig beseft:
‘De liefde die krijg jij nooit klein’.

Alzheimer-spook
met je progressie
Zo destructief,
zonder concessie.
Zo onomkeerbaar,
maar ik ben weerbaar.
Ik blijf je bestrijden,
want vroeg of laat,
komen er tijden,
dat jij niet bestaat.
Dan zal geen mens
nog iets van je weten.
Zit jij in het gat,
van het alom vergeten.

Alzheimer-spook, wie je ook treft:
‘De toekomst zal ooit anders zijn.
Ik denk dat jij veel te weinig beseft:
We krijgen jou hoe dan ook klein’.

© Hans Cieremans

 

 

Berusten

Het is moeilijk te aanvaarden
wat zo onaanvaardbaar is.
Dat jij anders bent geworden,
waardoor ik mijn maatje mis.
Ja, men zegt: ‘Je moet berusten,
‘t is niet anders, je moet door.
Echt, we blijven aan je denken’.
Maar wat koop ik daar nou voor?

Iedereen is even aardig,
dus daar zit het echt niet in.
Maar wat ik nu soms bemerk
is gebrek aan levenszin.
Hoewel ik je kom bezoeken,
zeven dagen in de week.
Ben ik elke dag bij thuiskomst,
eenzaam en totaal van streek.

En dan moet ik aan jou denken,
altijd slapend in je stoel.
Geen contact, geheel apathisch,
‘t geeft een machteloos gevoel.
Vroeger was ik altijd vrolijk,
maar dit maakt me depressief.
Maar al ben je dan veranderd,
ik heb jou nog altijd lief.

Ja, men zegt: ‘Je moet berusten’,
‘t Is zo makkelijk gezegd.
Toch blijf ik het steeds proberen,
al komt er niets van terecht.
Misschien heelt de tijd de wonden,
dus ik blijf mijn best wel doen.
En zal ik mijn vreugd ooit halen
uit herinnering aan toen.

Toen we heel gelukkig waren
en de toekomst openlag.
Alles op ons levenspaadje,
dat ik heel rooskleurig zag.
Maar nu moet ik dus aanvaarden
wat zo onaanvaardbaar is.
Ik moet leren te berusten
dat ik jou, mijn maatje mis.

© Hans Cieremans

Rolstoeldansen

Als het woensdagmiddag is,
zit zij om twee uur klaar.
Dan gaat ze naar de rolstoeldans,
een dochter gaat met haar.
De oudjes zitten in een kring
en de muziek gaat aan.
Ze klappen op het ritme mee,
voordat ze dansen gaan.

Ook moedertje is in haar sas,
heeft zelfs een beetje sjans.
Want meneer, die naast haar zit
vraagt moederlief ten dans.
Ze rollen samen door de zaal
genieten volop zo.
Net als vroeger, weet je wel,
zo ging dat ‘quick, quick slow’.

Af en toe een rustmoment,
een liedje tussendoor.
Wat krakerig, maar heel spontaan,
zingt het bejaardenkoor.
Dan komt er een versnapering,
een glaasje advocaat.
En voor je ‘t weet is het voorbij.
‘Ach, is het al zo laat?’

Dan komt ze op haar kamer terug
en dochter zei: ‘t Was feest’.
En moeder keek verbaasd naar haar:
‘Ik ben niet weg geweest’.
Ze is het snel vergeten,
want haar moeder is dement.
Maar mensen zoals moedertje
genieten van ‘t moment.

© Hans Cieremans

Het biertje en het advocaatje

Hij dronk dagelijks een biertje,
dat hielp goed tegen de dorst.
Dan nam zij een advocaatje,
blokje kaas, een plakje worst.

Hij keek naar de televisie
en zij las in de Margriet.
En ze lachten naar elkander:
‘Wat gezellig, ik geniet’.

Heel tevreden met hun leven
vierden zij hun oude dag,
totdat hij meer ging vergeten
en ook vreemde dingen zag.

Plotseling werd alles anders,
dementie werd vastgesteld.
En hij werd toen noodgedwongen
bij ‘t verpleeghuis aangemeld.

Daar geeft zij hem nu zijn biertje,
dat helpt goed tegen de dorst.
Uit een meegenomen bakje,
geeft ze hem wat kaas en worst.

Straks dan gaat ze weer naar huis toe,
voor het donker, niet te laat.
Eenzaam kijkt ze televisie,
met haar glaasje advocaat.

En dan denkt ze aan haar maatje,
die haar zoveel liefde gaf.
Drinkt nog wel haar advocaatje,
maar de slagroom is er af.

© Hans Cieremans

 

 

De wereld van vergeten

In de wereld van vergeten,
daar vervaagt herinnering.
Daar heerst angst van niet meer weten,
hoe het in het leven ging.
Daar waar jaren zich verdampen
in een tijd, die niet meer kent,
waar alleen is vast te klampen
aan het vluchtige moment.

In de wereld van vergeten
loopt de zoektocht altijd dood,
in de tijd die is bemeten,
want de toekomst is niet groot.
Daar zijn de geliefden vreemden,
zijn de namen uitgewist
‘t Is de wereld van ontheemden,
die zich hult in dichte mist.

In de wereld van vergeten,
is haast alles afgepakt.
Maar is liefde nooit versleten,
dat blijft tot het eind intact.
Dat gevoel is onverslijtbaar,
zelfs in diepe duisternis.
Blijf je voor elkaar bereikbaar,
ondanks tranen en gemis.

© Hans Cieremans

Het bezoek

Hoe zal ik mijn man aantreffen?
‘k Denk dat ik er nooit aan wen
of hij ooit nog zal beseffen,
waar hij is en wie ik ben.
Elke dag is het weer anders
en zo gaat het al een poos.
‘t Kost me steeds weer waterlanders,
‘k ben soms boos , vaak machteloos.

Ik ga met lood in mijn schoenen
elke dag weer naar hem toe.
‘k Zal hem altijd even zoenen,
uit gewoont’, ik ben moe.
Eens toen wij elkaar beloofden:
‘k Blijf je trouw, ik heb je lief,
wist ik niet dat ‘t vuurtje doofde,
want hij werd soms agressief.

Ach ik heb nu wel begrepen,
hij kan er ook niets aan doen.
‘k Moet mezelf er doorheen slepen
en dan denk ik maar aan toen.
Aan de vele mooie dingen,
die we deden met elkaar.
Het zijn die herinneringen,
die ik in mijn hart bewaar.

‘Lieve schat, kijk nou, hier ben ik,
zie je nou wel wie ik ben?
Ja, je kijkt, je weet het denk ik.
Kijk eens hoe ik je verwen.
Hier een heerlijk chocolaatje,
da’s voor strakjes bij de thee.
‘k Ben je vrouw, ik ben je maatje,
Kom ik neem je even mee’.

‘k Moet hem werkelijk meeslepen,
want hij heeft heel vaak geen zin
Heeft hij mij nu wel begrepen?
Ach, wat heeft het nog voor zin?
Ik blijf meestal niet zo lang hoor,
want het doet alleen maar zeer
Op bezoek gaan ben ik bang voor,
morgenmiddag ga ik weer.

© Hans Cieremans

Stemmen in 1981 (waar gebeurd)

In het volle stembureau
kreeg zij haar formulier,
maar zij was enigszins dement
en vroeg: ‘Wat moet ik hier?’
‘U mag hier nu gaan stemmen,
zei ik, ‘daar in dat hok’.
Maar toen zij in ‘t hokje stond,
zag ik dat zij daar schrok’.

Ik wilde haar toen helpen
en dat werd toegestaan.
Ik ben toen samen met mevrouw
het stemhok in gegaan.
Ze vroeg me heel paniekerig
‘Waar staat de ARP?’
Ik zei; ‘Dat is nu CDA,
AR doet niet meer mee’.

‘O, meneer wat vreselijk.
Dat is toch idioot’.
Ze kleurde toen heel onverwacht
het vakje ‘Den Uyl’ rood.
‘Zo’ zei zij  ‘ik heb gestemd,
leve de ARP’.
Maar ik dacht ‘Ja wat moet ik nu,
want dit was fout, o jee’.

Na mevrouw, kwam een meneer
en zei: ‘k Stem socialist’
en vroeg me waar hij kleuren moest,
omdat hij het niet wist.
Toen heb ik heel erg vindingrijk
een oplossing bedacht. Ik zei:
‘Kleurt u dan dit rondje in’.
Dat deed hij bij van Agt.

© Hans Cieremans

 

 

Het kaarsje

‘t Kaarsje gaat heel langzaam doven,
door zijn hoge ouderdom.
‘t Geeft nu nog een heel zwak lichtje
en het lontje valt haast om.
Als het vlammetje straks uitgaat
stopt zijn schaduw op de wand.
Slechts het stompje dat blijft over,
‘t kaarsje is dan opgebrand.

En als ik denk aan dat kaarsje,
hoe het brandde al die tijd.
Hoe het mij altijd verwarmde
en zijn lichtje had verspreid.
Ik herinner me hoe ‘t kaarsje
steeds de sfeer heeft mee bepaald.
Hoe zijn vlam steeds heeft gewapperd
en hoe mooi die heeft gestraald.

Jij was voor mij als dat kaarsje
‘k laat je dankbaar, vredig gaan.
Ik wil net zoals jij branden
en steek nieuwe kaarsjes aan.
Als mijn kaarsje eens zal doven,
‘k hoop in hoge ouderdom,
ben ik hoop ‘lijk als jouw lichtje,
valt mijn lontje vredig om.

© Hans Cieremans

 

 

Maak van twijfelen vertrouwen

Maak van twijfelen vertrouwen,
van je woede tederheid,
van ontkenning acceptatie
in een ongelijke strijd.
Maak van angsten de berusting,
van verdriet de dankbaarheid.
Maak je tranen tot een glimlach
in een nog beperkte tijd.

© Hans Cieremans