als samenzijn alleen voelt

Ik zie dagelijks jouw onmacht,
maar jij ziet de mijne niet.
En ik zie ook heus jouw tranen,
maar je ziet niet mijn verdriet.
Ik zie al je worstelingen,
mijn gevecht gaat langs je heen.
Jij bent eenzaam, ik ben eenzaam,
samenzijn voelt heel alleen.

Ik zie dagelijks jouw angsten,
mijn angst lijkt jou te ontgaan.
Ik zie zoveel wat we deelden,
waar we nu alleen in staan.
‘k Zie je in je eigen wereld,
‘k kom er nauwelijks doorheen.
Jij bent eenzaam, ik ben eenzaam,
samenzijn voelt heel alleen.

‘k Zie jouw onbegrip en twijfels,
maar ik twijfel net zo hard.
En zo twijfelen we samen,
maar we twijfelen apart.
Samen is niet meer het samen,
zoals samen was voorheen
Jij bent eenzaam, ik ben eenzaam,
samen zijn voelt heel alleen.

Maar toch wil ik je niet missen,
want we horen bij elkaar.
Lief en leed heeft ons verbonden,
samen duurt al zoveel jaar.
Al is samenzijn veranderd,
in gevoel van eenzaamheid.
‘t Kan de liefdesband niet breken,
daarom wil ik jou niet kwijt.

© Hans Cieremans

ogen

Ogen die me alles zeiden,
waar ik smoorverliefd op viel.
Die me wisten te verleiden,
waren spiegel van je ziel.
Ogen waar ik in verdwaalde,
waar jouw levenslust in zat,
zullen nooit meer kunnen stralen,
spreken niet meer en zijn mat.

Nu de lichtjes in je ogen
langzaamaan zijn uitgedoofd,
zit je spiegel vol met barsten,
waarin ik zo heb geloofd.
Ogen die niet meer vertellen
van de liefde voor elkaar.
‘k Kan er niet meer in verdrinken
en dat is ontzettend zwaar.

Vaak dan sluit je ook je ogen
en dan laat je me misschien,
onbewust een heel klein stukje
van je eigen wereld zien.
’t Is een wereld van het omzien,
van een terugkeer naar de tijd,
waarin jij mij eens beloofde:
‘Liefde tot in eeuwigheid’.

Maar die eeuwigheid bestaat niet,
dat verraadt je lege blik.
En die waarheid komt hard binnen,
dat ervaar ik tot mijn schrik.
‘k Kan je spiegel niet meer helen,
‘k moet het onder ogen zien.
Maar de liefde is wel eeuwig,
dat is nu mijn troost misschien

© Hans Cieremans

Altijd maar dat schuldgevoel

Ik probeer voor jou het beste,
maar ‘k heb toch een rot gevoel.
Want ik voel me ook heel schuldig,
terwijl ik het goed bedoel.
Maar jij neemt me alles kwalijk,
ik doe werk’  lijk alles fout.
Je denkt aan je eigen sores
en de rest dat laat je koud.

Je ontkent dat je verward bent,
het ligt allemaal aan mij.
Ik probeer het te aanvaarden,
want ik weet: ‘Dat hoort erbij’.
Maar zolang jij blijft ontkennen
en mij alles steeds verwijt,
twijfel ik ook aan mijzelf,
raak ik ook mezelf steeds kwijt.

Want ik wil je echt graag helpen,
maar het lukt me vaak niet meer.
Dan geef ik de zorg uit handen
en geloof me, dat doet zeer.
En als jij dan ook nog boos wordt
word ik altijd overspoeld,
door mijn schuldgevoel en twijfel
waardoor alles dubbel voelt.

Mijn omgeving ziet het ook wel
en ze geven me gelijk.
’t Is niet lang meer vol te houden
in de daag’ lijkse praktijk.
Het is beter voor ons beiden
als jij opgenomen wordt.
Maar toch voel ik me dan schuldig,
schiet mijn zorg voor jou tekort.

En al zeggen alle mensen:
‘Dat gevoel is onterecht’.
Dan blijft mijn beslissing toch
een zwaar innerlijk gevecht.
Het is mooi dat mijn omgeving
mijn beslissing onderschrijft.
Iedereen vindt me verstandig,
maar het schuldgevoel dat blijft.

© Hans Cieremans

 

zorghelden

Er zijn echte zorghelden,
profileren zich maar zelden,
niet in kranten, niet op velden,
op tv of internet.
Helden zonder decoratie
krijgen geen staande ovatie,
maar leveren topprestatie
met  hun handen aan het bed.

Deze helden zijn bescheiden,
zij verlichten mens´ lijk lijden,
´t maakt niet uit op wat voor tijden,
ze zijn altijd plichtsgetrouw.
Hun talenten diep verborgen,
zitten in ´de mens verzorgen´,
gisteren, vandaag of morgen,
elke dag voor mij en jou.

Helden zonder gouden schalen,
geen medailles of bokalen,
bekers of eremetalen,
geen Wilhelmus, geen ‘bravo’.
‘t Zijn de dames en de heren,
die we graag complimenteren,
zorghelden die presteren
op bijzonder hoog topniveau.

© Hans Cieremans

de ‘wonderfoon’

Zij zat met gesloten ogen,
haar hoofd rustte op haar kin.
Ze was vrijwel onbereikbaar
en ze dutte telkens in.
Als haar zoon haar kwam bezoeken,
had hij nauwelijks contact.
Soms deed zij haar ogen open,
maar was weer snel weggezakt.

De zoon zei: ‘Ik blijf maar even,
want ma heeft er toch niks aan’ .
En hij zei na een kwartiertje:
‘Nou tot ziens mam, ik moet gaan’.
Hij gaf moeder nog een knuffel
en hij ging er weer vandoor.
Moeder gaf hem geen reactie
en hij moest weer naar kantoor.

Zo ging het al vele maanden
tussen moeder en haar zoon.
Toen gaf hij bij zijn bezoekje
moederlief een ‘wonderfoon’.
Want hij had ervan gelezen,
’t komt bij dementie van pas.
Het apparaat werd aangesloten,
’t bleek dat ’t echt een ‘wonder’ was.

Want ineens zat ma te zingen
en ze keek weer naar haar zoon,
die nu langer op bezoek bleef,
‘t kwam dankzij de ‘wonderfoon’.
Nu kon zoonlief ma bereiken
en hij zei; ‘’t Is magnifiek,
ik heb weer contact met moeder
en dat komt door de muziek’.

© Hans Cieremans

 

bij moeder op bezoek

Jouw gezicht herken ik wel.
Jij bent toch mijn  man?
Maar hoe je heet, weet ik niet meer,
wacht even……… is het Jan?
Gek hè, dat ik dat vergeet,
ik ben de kluts soms kwijt.
Zeg, hoe  gaat het nou met jou,
waar is de kleine meid?

Wat zeg je nou, is zij niet klein?
Is ze al getrouwd?
Ik dacht ze is een jaar of zes,
jongen, ik word oud.
Ben ik bijna negentig?
Nee, dat is niet waar,
Zo oud, wat verschrikkelijk.
Ik dacht pas dertig jaar.

Jij hebt zo’n bekend gezicht,
ik ken je ergens van.
Ben jij Henk, ben jij mijn zoon?
Ik dacht: ’Jij bent vast Jan’
Wat lijk je op je vader zeg,
wat een gelijkenis.
Ik heb mijn man lang niet gezien,
ik weet niet waar hij is.

’t Is niet waar, is hij al dood?
Wat is dat erg zeg.
Kun jij me zeggen waar ik ben,
ik weet hier niet de weg.
Ze hebben mij hierheen gebracht,
ik voel me hier niet thuis.
Kom, dan ga ik met je mee,
breng jij me dan naar huis?

Woon ik hier? Dat meen je niet,
het is hier echt niet pluis.
Ze zijn hier allemaal zo raar.
Nee, ik moet echt naar huis.
Ik moet naar de kleine meid,
ze weet niet waar ik ben.
Wat heb je een bekend gezicht,
ik denk dat ik jou ken.

© Hans Cieremans

 

 

vacature: ‘Mantelzorger gevraagd’

Er staat nooit een vacature
in een tijdschrift of een krant
met: ´Gevraagd: een mantelzorger,
tegen flinke stress bestand´.
Er bestaat geen taakbeschrijving,
er is geen salarisschaal.
Mantelzorgen doe je gratis,
liefdevol en sociaal.

Maar er zijn wel kwaliteiten,
die een mantelzorger heeft:
een onmisbaar grote schakel,
die veel om de naaste geeft.
Heeft geduld en is gedreven,
laat geen mensen in de steek.
Dag en nacht is hij/zij beschikbaar,
zeven dagen in de week.

Mantelzorgers, die zijn goud waard,
tonen altijd empathie.
geven liefde, klagen zelden,
ook al kost het energie.
Hebben uithoudingsvermogen,
en gaan over grenzen heen.
Hebben heel veel te verwerken
en dat doen ze vaak alleen.

Mantelzorger zijn of worden
is wat niemand ambieert?
je krijgt ‘t in de schoot geworpen,
wordt ermee geconfronteerd.
Er is niet aan te ontkomen
en het blijkt een vak apart,
zwaar, uitputtend, maar ook dankbaar,
want het komt recht uit je hart.

Nee, er staat geen vacature
in een tijdschrift of een krant
met ´Gevraagd, een mantelzorger,
tegen flinke stress bestand´.
Toch werken veel mantelzorgers
in een veeleisend traject.
Zij verdienen geen salaris,
maar ontzettend veel respect.

© Hans Cieremans

 

 

wanneer zie ik je weer?

Moeder belde dagelijks
misschien wel twintig keer.
Telkens met dezelfde vraag:
´Wanneer zie ik je weer?’
Ik ging drie keer in de week
naar mijn moeder toe.
Ik zou wel vaker willen gaan,
maar ‘k wist beslist niet hoe.

Het mantelzorgen viel me zwaar,
het werd me soms te veel.
Nog vaker naar mijn moeder toe,
dat was echt niet reëel.
Toen ging moeder achteruit,
het ging ineens heel gauw.
Ze huilde aan de telefoon:
‘Zeg, wanneer kom je nou?’

‘Moeder, ik ben net geweest,
echt ik kom weer snel’.
Ik had nog niet neergelegd
of daar ging weer de bel.
Ik dacht: ‘Zal ik hem laten gaan,
ze belt me toch voor nop?’
Maar ja, voor alle zekerheid,
nam ik hem toch weer op.

Moeder werd uit huis geplaatst,
het ging met haar heel slecht.
Mij bellen lukte haar niet meer,
daar kwam niets van terecht.
Het gaf mij eindelijk wat rust,
maar het deed ook zeer.
Ik miste elke dag haar stem:
‘Wanneer zie ik je weer?’

Ze leefde nog een maand of drie,
het voelt nu heel erg leeg.
Ik wou dat ik nog ik dagelijks
haar telefoontjes kreeg.
Haar telefoontje ligt nu hier,
mijn moeder belt niet meer.
Ik pak hem op en spreek erin:
‘Wanneer zie ik je weer?’

© Hans Cieremans

hoe eenzaam is het

Hoe eenzaam is het
als dagen verstrijken,
terwijl je niet weet waar je bent?
Als ik steeds probeer
om jou te bereiken,
terwijl jij me niet meer herkent?
Hoe eenzaam is het
om niet meer te weten,
dat jij met mij  bent getrouwd?
Al zoveel jaar samen,
je lijkt het vergeten
terwijl ik nog steeds van je houd.

Hoe eenzaam is het
de grip te verliezen
op daagse werkelijkheid?
Je zoekt zonder vinden,
je kunt niet meer kiezen,
je hebt geen besef meer van tijd.
Hoe eenzaam is het
om jezelf kwijt te raken,
niet meer te zijn wie je was?
Je stralende ogen
en lach zijn veranderd
in een verdrietig grimas.

Hoe eenzaam is het
als je niet meer kunt zeggen,
wat je denkt, wat je voelt?
Als jouw lichaamstaal
aan mij moet verraden,
wat jij waarschijnlijk bedoelt?
Hoe eenzaam is het
in jouw eigen wereld?
Ik breek er haast niet doorheen.
Ik zou die wereld
zo graag met  je delen
maar jij  beleeft het alleen.

© Hans Cieremans

 

het Alzheimermoeras

Ik ben bang om weg te zinken
in het Alzheimermoeras.
´k Word steeds verder vastgezogen
in de blubberige dras.
´t Water stijgt me tot de lippen,
ik herken hier heg noch steg.
´t Is hier mistig, koud en eenzaam
en ik zak steeds verder weg.

Bij ´t moeras staan mijn geliefden,
stellen mij op mijn gemak.
Maar ze kunnen niet voorkomen,
dat ik langzaam verder zak.
Het moeras is onverbidd´lijk,
ik kan niet meer naar omhoog.
Totdat eens de zon gaat schijnen,
dan valt het moeras weer droog.

Dan zal ik me weer verheffen
uit het Alzheimermoeras.
Zullen bloemen weer gaan bloeien
in de opgedroogde plas.
Angst en pijn zullen verdwijnen,
wordt wat weg was weer herkend.
Maar zolang ´t moeras niet droog is,
ben ik blij dat jij er bent.

Blijf bij mij totdat de zon schijnt
bij het Alzheimermoeras.
Troost me, help me en omarm me,
houd me zolang stevig vast.
En als eens de zon gaat schijnen
op het nieuw gevormde mos,
dan zal ik ´t moeras verlaten,
laat me dan in liefde los.

© Hans Cieremans