de weg

Heel geleidelijk,
onvermijdelijk,
drijft het leven ons uit elkaar.
Onafscheidelijk,
blijkt maar tijdelijk,
’t overkomt ons na zoveel jaar.
Dit is wat ik niemand gun,
maar er is niks aan te doen.
Liefde eens door dik en dun
is heel anders nu dan toen.

’t Leven kiest zomaar zijn eigen weg,
‘t is een weg vol hindernis.
Confronterend met verdriet en pech,
de man die ik van vroeger mis.

Op verschillend spoor
dringt de waarheid door.
Ik verlies wie hij is geweest.
Niets is over van
eens mijn stoere man,
door zijn ziekte die niet geneest.
Ik verzorg hem als een kind,
eens mijn steun en toeverlaat.
Waarbij ik slechts tranen vind,
nu het samen niet meer gaat.

’t Leven kiest zomaar zijn eigen weg,
‘t is een weg vol hindernis.
Confronterend met verdriet en pech,
de man die ik van vroeger mis.

Eindeloos geduld,
een gevoel van schuld,
ik word boos als hij steeds herhaalt.
‘k Raak hem steeds meer kwijt ,
‘k zit vol zelfverwijt,
als ik denk dat ik heb gefaald.
Ik ben bijna opgebrand,
ik zit in een diepe dip.
‘k Voel me heel vaak eenzaam want,
er is heel veel onbegrip.

’t Leven kiest zomaar zijn eigen weg,
‘t is een weg vol hindernis.
Confronterend met verdriet en pech,
de man die ik van vroeger mis.

© Hans Cieremans

 

 

gevangen

‘k Zit gevangen in mijn lichaam,
ik zit vast in dichte mist.
Al de sporen van mijn leven
heeft de tijd langzaam gewist.
Ze zijn niet meer terug te vinden
door de gaten in mijn brein.
Gaten in de levenssporen
die nu hersenschimmen zijn.

En zo zit ik opgesloten
in mijn diep verborgen ik.
Waar het licht sporadisch doorbreekt
in een helder ogenblik.
En de mist wordt alsmaar dikker,
waar ik moeizaam in laveer.
Zelfs mijn ik verdwijnt in spiegels,
ik herken mezelf niet meer.

’t Lichaam voelt als een belasting,
als een knellende cocon.
Waaruit ik bevrijd wil dansen
als een vlinder in de zon.
Op een dag komt die bevrijding,
stijg ik vlinderend omhoog.
‘k Laat het leeg omhulsel achter,
vlieg ik naar de regenboog.

© Hans Cieremans

 

 

humor

‘Schat, we gaan het samen redden.
Kom, we gaan er tegenaan.
Met veel humor, optimisme,
zullen wij de strijd doorstaan.
Want we laten ons niet kisten,
door het dementiesyndroom.
Dus we gaan niet zitten kniezen
en we leven door gewoon’.

Dat is wat we elkaar zeiden
toen de dokter had verteld,
dat de uitslag niet zo mooi was.
‘Dementie was vastgesteld’.
Desondanks maakten we plannen,
samen toekomst tegemoet.
En we zeiden: ‘Blijven lachen’.
Humor was toen bitterzoet.

Maar dat lachen dat verging ons,
lachen was van korte duur.
Humor was niet bitterzoet meer,
het werd wrang en bitterzuur.
Er viel weinig meer te lachen,
’t optimisme dat verdween.
Dementie heeft toch gewonnen
en het raakt jou niet alleen.

‘t Is voor mij en voor de kind’ ren
ook een hele grote dreun.
Maar we zoeken en we vinden
bij elkaar gelukkig steun.
Wij delen herinneringen
over jou, dat doet ons goed.
Zo wordt humor die zo zuur is
toch weer even bitterzoet.

© Hans Cieremans

 

 

 

ons geluk

Soms is het moeilijk jouw aandacht te krijgen,
je kijkt, maar jij ziet me niet.
Ik weet intussen, ‘t is beter te zwijgen
en blader wat in een Margriet.
Ik lees geen woord, ik kijk naar de plaatjes
en denk aan hoe het eens was.
We waren verliefd en heel dikke maatjes,
net zestien en groen als het gras.

We zijn vroeg getrouwd, de kindertjes kwamen,
we kregen een dochter en zoon.
En al ons geluk, dat deelden we samen,
geluk was destijds heel gewoon.
We hadden het fijn, we hebben genoten,
het leven was toen één groot feest.
Die tijd is voorbij, voorgoed afgesloten,
wat was komt niet meer, da’s geweest.

Het leven neemt nu een andere wending,
niet zoals wij hadden gehoopt.
Ons levensverhaal krijgt geen ‘happy ending’,
door Alzheimer word jij gesloopt.
Het leven is eindig, da’s niet te vermijden,
maar zo valt die eindigheid zwaar.
Het is zo verdrietig om jou te zien lijden,
dit wilden we niet voor elkaar.

Ik vind het moeilijk jouw aandacht te krijgen,
dus staar ik maar in een Margriet.
Alzheimer is ons geluk gaan bedreigen,
het wordt nu vermengd met verdriet.
Alzheimer wil de herinn’ ring verstoren,
herinnering aan ons geluk.
Maar dat lukt niet, dat gaat nooit verloren,
zelfs Alzheimer krijgt dat niet stuk.

© Hans Cieremans

 

zestig jaar getrouwd

Schat, we zijn nu oud,
zestig jaar getrouwd
en nu wonen we weer apart.
Jij zit in dat huis,
ik alleen hier thuis,
’t ging niet meer ,
je was te verward.
Nu mis ik je elke dag,
ook al kom ik naar je toe.
‘k Wil je dan graag knuffelen,
maar ik zou niet weten hoe.

Geen gelegenheid
voor genegenheid,
slechts een aai
en een dikke zoen.
Slapen zij aan zij
is er niet meer bij
en we moeten het daarmee doen.
Ik mis jouw intimiteit,
jouw gesnurk, jouw warme lijf.
‘k Houd alleen je hand nog vast,
als een soort van tijdverdrijf.

Schat, we zijn nu oud,
zestig jaar getrouwd,
maar zo voelt het
nu niet meer echt.
‘k Raak je steeds meer kwijt,
‘tot dood ons scheidt’,
daar komt nu niets meer van terecht.
Weg is de genegenheid,
dementie drijft ons uiteen.
Nooit meer  lepel, lepeltje,
het bed is nu voor mij alleen.

Hans Cieremans

 

 

concert van het leven

Van ‘t concert van ‘t eigen leven,
krijgt geen mens ooit een program.
Het kent rustige ballades,
en ook drukte en tamtam.
Levendig met veel allegro,
maar soms klinkt het in mineur,
als het slotakkoord zich afspeelt
achter een gesloten deur.

Dan is ‘t opmaat naar het  einde
en voor elke muzikant
is daar weinig variatie
en klinkt menig dissonant.
Om ’t concert wat op te fleuren,
zoekt men naar wat nog bekoord.
Maar een solo, a capella,
klinkt bij ‘t  laatste slotakkoord.

Het orkest stopt dan met spelen,
maar wie weet speel je nog voort.
Kan je dromen van iets mooiers,
na het laatste slotakkoord.
Een concert met melodieën,
vrolijk, zoet, melodieus,
de concertdeur blijft geopend,
is het vredig, harmonieus.

© Hans Cieremans

 

 

genieten

Ik geniet nog van een praatje,
ik houd van gezelligheid,
van muziek, een advocaatje
en een dansje op zijn tijd.
Van bewegen en van zingen,
van de glimlach van een kind.
O, er zijn nog zoveel dingen,
die ik nog geweldig vind

Bloemen, dieren, een bezoekje,
zoveel waar ik nog van hou.
Een kop koffie met een koekje,
aandacht die ik krijg van jou.
Waarom zeggen zoveel mensen,
dat ik niet zoveel meer kan?
Ik heb nog voldoende wensen,
dus daar klopt maar weinig van.

Ik heb best nog moog ‘lijkheden,
misschien niet zoveel als toen,
toen ik jong was lang geleden,
maar ik kan nog heel veel doen.
Maar ik heb jouw hulp wel nodig,
wil er daarom voor mij zijn.
Denk dus niet;’ ’t Is overbodig,
jij bent ’t beste medicijn’.

Ook al ben ik soms chagrijnig,
ben ik warrig of doodmoe:
‘Al bereik je mij soms weinig,
kom naar mij zo af en toe’.
Want ik houd nog van het leven,
ook al heb ik soms verdriet.
Wil mij dus jouw aandacht geven,
fleur me op en ik geniet.

© Hans Cieremans

spreken uit het hart

Als mijn hoofd niet meer kan zeggen
wat mijn hart vertellen wil.
Als ik dat niet uit kan leggen,
als ik langzaamaan verstil.

Als mijn hoofd lijkt te verliezen
wat het hart bewaren wil.
Als ik het niet lijk te weten,
en mijn wereld wordt heel kil.

Als mijn hoofd niet kan bedenken
wat het hart nog plannen wil.
Als ik ongewild blijf krenken
zinloos al mijn tijd verspil.

Dan zou ik je willen vragen,
als mijn hoofd me zo verwart,
geef ’t gesprek een kans van slagen
door te spreken uit je hart.

Door je hart open te stellen,
raak jij mij, versta ik jou.
Zo kan ik je ook vertellen,
dat ik heel veel van je hou.

© Hans Cieremans

vechtlust

‘k Hield mijn verdriet
jaren verborgen.
Geen tijd voor mezelf,
ik moest voor jou zorgen.
Groot was mijn draaglast,
ik was je houvast.
Het was doodvermoeiend,
ik was bekaf.
Je schreeuwde om aandacht,
die ik je dan gaf.
Steeds jouw herhalen,
jouw eindeloos drenzen.
Steeds vaker vergat ik
mijn eigen grenzen.

Toen moest jij weg, het ging thuis niet meer.
ik voelde me schuldig en bang.
Ik gaf het uit handen en dat deed me zeer.
Ik kwam op bezoek jarenlang.

‘k Hield mijn verdriet
daar ook verborgen.
Ik kwam elke dag
om voor jou te zorgen. |
Ik hielp bij ’t eten,
dat was ingesleten.
Mijn plichtsbesef,
hield mij op de been.
Mijn wereld werd klein,
ik stond vaak alleen.
Ik huilde van binnen,
‘k heb voor je gestreden.
Maar ‘t was onomkeerbaar,
je bent overleden.

Ik bracht je weg, je was er niet meer,
ik voel me nu leeg zonder jou.
Je rust is verdiend, maar ‘t doet me  ook zeer.
omdat ik nog steeds van je hou.

‘k Houd mijn verdriet
nu niet meer verborgen.
Ik ben niet gewend
voor mezelf te zorgen.
Ik loop op mijn tenen,
vrienden verdwenen.
Het duurde te lang,
zij haakten af.
Daarom was het stil,
die dag bij het graf.
Maar toch wil ik niet,
de moed laten zakken.
Het zal moeilijk zijn
om de draad op te pakken.

Jij bent nu weg, je bent er niet meer,
ik voel me eenzaam, alleen.
Die lege plek, zo stil doet me zeer,
maar ‘k vecht me hier ook weer doorheen.

© Hans Cieremans

 

 

Twee keer afscheid

Je moet altijd afscheid nemen,
als er iemand overlijdt.
Maar als iemand dementie heeft
raak je hem al levend kwijt.

Hij is dan nog wel aanwezig,
maar hij is er ook niet meer,
Hij leeft in een eigen wereld.
Afscheid nemen in twee keer.

Veel emoties en gevoelens
komen los in deze tijd.
’t Is een ware rollercoaster,
vol met tegenstrijdigheid.

Boosheid, angst en schuldgevoelens,
het is allemaal zo zwaar.
Uitgeput, bedroefd, wanhopig.
Alles loopt dan door elkaar.

Afscheid moet je accepteren,
dat doet onontkoombaar zeer.
En je moet tot slot berusten,
zelfs bij dementie twee keer.

Maar als je dan gaat berusten,
dan kun je toch nog iets doen,
met een  traan en met een glimlach,
denkend aan de tijd van toen:

‘Creëer in je hart twee plekjes,
dat herinneringen spaart,
zodat je nooit kwijt zult raken
wat je in je hart bewaart’.

(Waar ‘hij’ staat kun je natuurlijk ook ‘zij’ invullen)

©  Hans Cieremans