Hoe gaat het met je man?

Veel mensen vragen vaak aan haar:
‘Hoe gaat het met je man?’
Dan zegt zij dat hij dementeert
en niet zo veel meer kan.
De mensen zeggen: ‘Ach, wat triest,
heel veel sterkte hoor’.
Met een bemoedigende blik,
lopen zij daarna weer door.

De boodschappen, die zijn weer thuis.
Haar man kijkt naar t.v.
Hij reageert niet op haar komst,
zij nam een visje mee.
‘Een lekkerbekje, eet maar op,
daar houd je toch zo van?’
Hij liet het staan, zij vroeg aan hem
‘Wil jij iets anders dan?’

Ze had een engelengeduld,
maar was het zorgen moe.
Altijd maar dat onbegrip
en dat verward gedoe.
Soms ging ze alleen wandelen,
zomaar zonder plan.
Weer vroeg er iemand onderweg:
‘Hoe is ‘t met je man?’

Ze antwoord heel beleefd en zegt,
dat hij niet veel meer kan.
‘O, wat erg, nou sterkte hoor,
de groeten aan je man’.
Komt zij thuis van de wandeling,
kijkt haar man naar t.v.
Hij reageert niet op haar komst,
ze nam daarom niks mee.

Heel haar leven draait om hem,
hij kan er niks aan doen.
Maar ze denkt aan vroeger tijd,
wat was het anders toen.
Maar toen tijdens het winkelen,
was daar ineens een vrouw,
die vroeg, wat een verademing:
‘Hoe gaat het nou met jou?’

© Hans Cieremans

Onvoorwaardelijke liefde

Niets is sterker dan de liefde,
maar ze is ook kwetsbaar, broos.
Soms kent liefde ook zijn grenzen,
maar is meestal grenzeloos.
Soms duurt liefde maar heel even,
maar duurt heel vaak voor altijd.
Onvoorwaardelijke liefde,
die bestaat in eeuwigheid.

Onvoorwaard’ lijk is de liefde
die ik nog steeds voel voor jou.
Ook al is nu alles anders,
weet dat ik veel van je hou.
Ik blijf altijd voor je zorgen,
ook al ben ik hier, jij daar.
Zelfs de dood zal niet beletten,
dat wij houden van elkaar.

Ja natuurlijk heb ik tranen
en word ik ook wel eens boos
En soms word ik ook opstandig,
voel ik mij heel machteloos.
Maar de liefde maakt geduldig
stemt mij ook tot dankbaarheid.
Niets is sterker dan de liefde
die mij nimmer van jou scheidt.

Niets is sterker dan de liefde,
maar ze is ook kwetsbaar, broos.
Soms kent liefde ook zijn grenzen,
maar is meestal grenzeloos.
Jij bent liefde van mijn leven,
en die liefde blijft altijd.
Onvoorwaardelijke liefde,
die bestaat in eeuwigheid.

©Hans Cieremans

Confronterend

Zij kan niets meer met hem delen,
niet hun liefde, niet hun leed.
Zelfs als zij praat over vroeger
zegt hij dat hij ‘t niet weet.
Zestig jaar waren zij samen,
’t was een hele mooie tijd.
Maar zelfs die herinneringen
zijn verdwenen, is hij kwijt.

Als zij praat over de kind’ ren,
draait zijn hoofd weg naar het raam.
Luistert niet en is afwezig,
hij herkent geen enk’ le naam.
Daag’ lijks komt ze hem bezoeken
met haar schoenen in het lood.
En soms voelt zij zich heel schuldig,
als ze denkt: ‘Was hij maar dood.’

Af en toe is hij heel bozig
en behoorlijk agressief.
Waar is toch die man gebleven,
die zo zorgzaam was en lief?
En dat brengt haar aan het twijf’ len:
‘Ga ik wel of ga ik niet?’
En ze huilt als ze alleen is,
in haar machteloos verdriet.

En zo leven beide oudjes
in een diep verscheurd bestaan.
Beiden konden nooit vermoeden,
dat hun leven zo kon gaan.
En het is niet op te lossen,
al die tranen, al die pijn.
In die uitzichtloosheid, denk ik,
kan de dood een uitkomst zijn.

© Hans Cieremans

Geen antwoord

Al de plannen die we maakten
kunnen in de prullenbak.
Omdat ‘Alzheimer’ jou vast greep
en een stokje daarvoor stak.
In plaats van een leuk retourtje,
Rome, Londen of Parijs,
gaat het ritje naar ’t verpleeghuis
geen retour, maar enk’ le reis.

In plaats van gezellig uitgaan
naar ’t concert dat jij vaak koos.
Zing ik met jou kinderliedjes
uit een hele oude doos.
En in plaats van te dineren
in ’t geliefde eetcafé,
help ik jou nu eten geven,
zachte groente en puree.

En in plaats van samen praten,
spreek jij meestal koeterwaals.
En de zinnen die ik opvang,
gaan alleen over toenmaals.
En in plaats van wandelingen
langs het strand, van een paar uur.
Lopen wij om het verpleeghuis
rondjes van een korte duur.

En in plaats van…., ja van alles,
want niets is meer wat het was.
‘k Vraag mij af: ‘Hoe moet ik verder?
Wie herstelt mijn stuk kompas?’
Is er eigenlijk een ‘verder’
of is er alleen een ‘toen’?
‘k Heb geen antwoord op die vragen,
dus ik moet het er mee doen.

© Hans Cieremans

De man van mijn leven

Waar is je lach,
je ogen die stralen,
je humor, je trots,
je mooie verhalen?
Jouw interesse,
jouw levenslessen?
Waar is je liefde,
je troostende arm?
jouw stoere lichaam,
veilig en warm?
Jouw zelfbewustheid,
waar is het gebleven?
Waar ben je nou toch,
jij man van mijn leven?

Ik zie je staan,
onrustig, apathisch,
niet te verstaan,
verdrietig, afatisch.
Angstig, gespannen,
geen toekomstplannen.
Jij kijkt me aan,
terwijl mijn hart schreit
Je kent me niet meer,
jij bent me kwijt.
Waar is de troost,
die jij me kon geven?
Jij werd zo anders,
jij man van mijn leven.

Ik geef een zoen,
en voel tranen wellen.
‘Ik houd van jou’,
wil ik je vertellen.
De blik in je ogen,
koel, onbewogen,
het droevig bewijs
dat jij niet herkent.
Dat jij ver heen,
niet meer bij mij bent.
Maar één belofte,
die ik je wil geven:
‘Je blijft ondanks alles
de man van mijn leven’.

© Hans Cieremans

 

 

Regendruppels op de ramen

Regendruppels op de ramen,
in een wereld grijs en grauw
Druppels met vergeten namen,
in een zwart gat op de schouw.
Waar wat was lijkt te verdwijnen
waar het ‘toen’ in tijd verdwaalt.
Waar de flarden mist verschijnen
waar herinnering verschraalt.

Daar zijn regendruppels tranen
daar is angst in ‘t zwarte gat.
Daar zijn schemerige wanen
op een duister levenspad.
Daar is pijn niet meer te keren,
is het donker als de nacht.
Daar wordt angst van dementeren,
door de liefde nog verzacht.

Als de striemen regenvlagen
al het uitzicht doen ontgaan
Als het gat met duizend vragen
zonder antwoord blijft bestaan.
Waardoor tranen in je ogen
blijven stromen in de strijd.
Zal de liefde ze weer drogen,
want de liefde wint altijd.

© Hans Cieremans

 

De dag van de verpleging

Jouw warme zorg
aan mensen gegeven.
Verzacht heel veel pijn,
de pijn in hun leven.
Even onthaasten,
tijd voor je naasten.
Tijd met jouw liefde,
jouw aandacht, geduld.
Tijd die jou zelf
met voldoening vervult.
Tijd om verdriet
en hun tranen te delen.
Tijd voor jouw glimlach,
die troostend kan helen.

Dat is de tijd,
die jou vaak ontbeert,
je hebt het haast altijd te druk.
Maar jij draagt bij zieken,
hoewel tijd frustreert,
toch bij aan hun levensgeluk

Jouw warme zorg
aan mensen gegeven.
Maakt mensen dankbaar,
geeft zin aan hun leven.
Jij bent hun maatje,
maakt soms een praatje.
Tijd voor een ‘bakkie’,
wat lekkers erbij.
Het lijkt zo eenvoudig,
het maakt mensen blij.
Jouw helpende handje
kan mensen diep raken.
Wat zou je daar graag
meer tijd voor maken.

Jij zet de mensen,
nooit  ik de kou,
al is tijd niet altijd je vriend.
Daarom deze dag,
die is nu voor jou,
de dag die je heel dik verdient

© Hans Cieremans

Mist

Zo dichtbij, zo onbereikbaar,
bij elkaar en toch alleen.
Toen en nu onvergelijkbaar,
in een toekomst, die verdween.
‘k Houd je vast, terwijl ik loslaat
in de mist die ons omgeeft
Tijd die stopt, maar toch ook doorgaat,
onbegrip dat in ons leeft.

Mist als een gordijn van tranen
in onmetelijk verdriet,
met steeds meer vergeten namen.
Je kijkt me aan, maar ziet me niet.
Mist, die al het licht verduistert
van ’t gelukkig toekomstbeeld
en de levensvreugd ontluistert,
die door samen werd gedeeld.

Weg zijn alle toekomstdromen,
weg in de vergetelheid.
Door de mist aan ons ontnomen,
in een niet te winnen strijd.
Lopend op gescheiden wegen,
loop ik hier en jij loopt daar.
Eens dan kom ik je weer tegen,
gaan we nooit meer uit elkaar.

© Hans Cieremans

 

Gesprek met een foto

Vroeger zei ik je ‘welterusten’
en dan gingen we naar bed
waarbij wij elkander kusten,
‘k doe dat nu op je portret.
Ik praat daag ‘lijks tot die foto,
dan wens ik je goede nacht.
Weet je nog, ach je genoot zo.
Hé, het lijkt wel of je lacht.

Ja, ik moet het me verbeelden,
want een foto lacht toch niet.
In het bed dat wij eens deelden,
huil ik tranen van verdriet
Vroeger ja, toen was het anders,
want jij was mijn stoere vent.
Maar ik voel nu waterlanders,
omdat jij hier niet meer bent.

‘k Woon alleen nog in ons flatje
dat is echt niet wat ik wou
Ik verlang zo naar dat bedje,
waar ik veilig lig naast jou.
Maar daar kan ik slechts van dromen,
want je komt nooit meer terug.
Nee, je zult nooit meer thuis komen,
het gaat allemaal zo vlug.

Lieve schat, ik zeg: ‘Slaap lekker,
kom ik geef je nog een zoen,
op jouw foto naast de wekker,
op je lippen, net als toen.
Ik zal straks weer liggen woelen,
omdat ik de slaap niet vat.
‘k Zou je zo graag naast me voelen,
Welterusten, lieve schat.

© Hans Cieremans

Samen

Ik denk vaak aan de tijd,
dat jij jezelf nog was.
Dat je op de bank zat
en je ochtendkrantje las.
Samen aan de koffie,
je was net met pensioen,
ik wou die mooie tijd
graag eens over doen.

Samen aan de wijn
met een stukje kaas.
Samen lekker fietsen.
het kan niet meer helaas
Samen vroeg naar bed
of naar een leuk hotel.
Wat hebben we genoten,
die tijd ging veel te snel.

We hebben het zo lang
samen goed gehad.
Tot het op ging vallen,
dat jij zoveel vergat.
Samen naar de dokter,
al had je weinig zin.
Toen de uitslag kwam,
stortte de wereld in.

We zijn niet samen meer,
ik zit hier, jij daar.
Je ging hard achteruit
in het afgelopen jaar.
En zijn we nu dan samen,
dan breng ik je naar bed.
Ik help je bij het eten,
en ook op het toilet.

Dan denk ik aan de tijd,
dat jij jezelf nog was.
Dat je op de bank zat
en je ochtendkrantje las.
Ik wil nu voor je zorgen,
dus ik blijf op de been.
Maar als we samen zijn,
voelt samen zijn alleen.

© Hans Cieremans