Samen

Ik denk vaak aan de tijd,
dat jij jezelf nog was.
Dat je op de bank zat
en je ochtendkrantje las.
Samen aan de koffie,
je was net met pensioen,
ik wou die mooie tijd
graag eens over doen.

Samen aan de wijn
met een stukje kaas.
Samen lekker fietsen.
het kan niet meer helaas
Samen vroeg naar bed
of naar een leuk hotel.
Wat hebben we genoten,
die tijd ging veel te snel.

We hebben het zo lang
samen goed gehad.
Tot het op ging vallen,
dat jij zoveel vergat.
Samen naar de dokter,
al had je weinig zin.
Toen de uitslag kwam,
stortte de wereld in.

We zijn niet samen meer,
ik zit hier, jij daar.
Je ging hard achteruit
in het afgelopen jaar.
En zijn we nu dan samen,
dan breng ik je naar bed.
Ik help je bij het eten,
en ook op het toilet.

Dan denk ik aan de tijd,
dat jij jezelf nog was.
Dat je op de bank zat
en je ochtendkrantje las.
Ik wil nu voor je zorgen,
dus ik blijf op de been.
Maar als we samen zijn,
voelt samen zijn alleen.

© Hans Cieremans

Waar is het verzorgingshuis?

De overheid die heeft beslist
dat het verzorgingshuis
niet meer past in het beleid,
dus blijft men langer thuis.
Als hulp dan geboden is,
dan komt de thuiszorg aan.
Zorg op maat, zo noemt men dat
zo gaat dat nu voortaan.

Daar zit achter geraniums
een hoogbejaarde vrouw
In haar veel te grote huis,
waar blijft de thuiszorg nou?
Het is al bijna kwart voor tien
en in haar nachtjapon,
vraagt zij zich af in eenzaamheid
of dit niet anders kon.

Ha, daar is de thuiszorg dan,
het is nu kwart voor elf.
Ze zegt: ‘ik kam uw haren uit,
de rest dat kunt u zelf’
En mevrouw is weer alleen
na amper een kwartier.
Een ideale oplossing,
maar dan slechts op papier.

Mevrouw, die plaste in haar broek
op weg naar het toilet.
Toen trok ze een verschoning aan,
die lag nog op haar bed
Maar helaas ze struikelde
daar lag ze heel alleen.
Zo lag ze uren op de grond
met een gebroken been.

Ze drukte op haar noodsignaal,
die was waarschijnlijk stuk.
Of haar bel werd niet gehoord
of was het veel te druk.
Zij moest naar ’t verpleegtehuis
kreeg daar een eigen bed.
En eindelijk kreeg zij weer rust
Er werd op haar gelet.

De overheid die heeft beslist
dat het verzorgingshuis
niet meer past in het beleid,
dus blijft men langer thuis.
Met risico voor vallen,
voor brand, voor eenzaamheid
Bedacht vanachter een bureau
ons ouderenbeleid.

© Hans Cieremans

 

 

Het verborgen ik

Zij verdwaalt in tijd
is de weg steeds kwijt.,
in haar diep verborgen ik.
Schuifelt door de gang
vol bewegingsdrang
geen herkenning in haar blik.
Ik raak zacht haar wangen aan,
wat gaat in haar om?
Zij is niet meer te verstaan
en ik vraag: ‘Waarom?’

Kom maar heel dicht bij me schuilen,
voel mijn warmte, mijn gezicht.
Proef de tranen van ons huilen.
Wanneer slaat dit boek nou dicht?

Het vergankelijke,
het afhankelijke,
komt haar redding God van U?
In haar hersenschim
zoekt ze levenszin,
alleen in het hier en nu.
Neuriet vaak de melodie
van ‘Blijf bij mij Heer’.
Hoort dat bij haar dementie
of zegt het iets meer?

Kom maar heel dicht bij me schuilen,
voel mijn warmte, mijn gezicht.
Proef de tranen van ons huilen.
Wanneer slaat dit boek nou dicht?

Wankel evenwicht,
zoekend naar het licht.
Heeft ze toch nog iets herkend?
Tot haar laatste snik
telt ‘het ogenblik’.
Voelt zij dat U bij haar bent?
Schrikbeeld van vergeten,
radeloos verdriet.
Zou ze dan toch weten?
‘God vergeet haar niet’.

Kom maar heel dicht bij me schuilen,
voel mijn warmte, mijn gezicht.
Proef de tranen van ons huilen.
Straks dan gaat dit boek echt dicht.

© Hans Cieremans

De geranium

Bent u zorgafhankelijk
oud, ziek of verward.
De politiek belooft ineens
‘U krijgt nu twee miljard’.
Dat geld is niet voor bobo’s,
maar het wordt ingezet,
voor heel veel nieuwe zustertjes,
voor handen aan het bed.

Daar wilt u vast voor stemmen,
maar dat gaat niet zo.
Want hoe gaat u 15 maart
naar het stembureau?
Is dat dan met de rolstoelbus
van het vervoer op maat?
Of heeft u een rollator soms,
waarmee het ook nog gaat?

En staat u in het stemhokje,
dan bent u mooi de klos.
Want wie ziet door zo’n lange lijst
nog bomen door het bos?
Wie geeft nou die twee miljard,
wie heeft u dat beloofd?
Ach, kleur het vakje nu maar rood
wie u het meest gelooft.

Bent u dan weer in uw huis,
dan heeft u veel beleefd.
Vertel het de geranium,
die u wat water geeft.
Kunt u hem straks weg gooien
kan hij worden gemist?
Of komt die twee miljard toch niet
en ligt hij op uw kist?

© Hans Cieremans

 

Genieten met moeder

Moeder krijgt een schoonheidsbeurtje,
op haar wangen een fris kleurtje
en ze krijgt een lekker geurtje
en haar haar gaat in de plooi.
Op haar nagels gaat een lakje,
draagt een keurig mantelpakje,
schoenen met bescheiden hakje.
Zuster maakt mijn moeder mooi.

Als ik haar dan op ga halen,
loopt ze als de zon te stralen
en vertelt ze trots verhalen
over hoe het vroeger was.
Dat ze met vriendinnen speelde
en zich bijna nooit verveelde.
Dat ze ulevellen deelde
met de kind’ ren uit haar klas.

Dan gaan wij een rondje maken
langs bekende modezaken
en ze weet me steeds te raken,
als ze toch nog veel herkent.
Moe zegt zij: ‘Ik ben versleten,
kom we gaan gezellig eten’.
Straks is zij dat weer vergeten,
langzaamaan wordt zij dement.

Ze geniet van kleine dingen,
samen shoppen, samen zingen
terend op herinneringen
van een lang vervlogen tijd.
’t Is ontroerend hoe ’t verleden
nu een rol speelt in het heden,
want het maakt haar mild, tevreden
en dat stemt tot dankbaarheid.

Maar de Alzheimer blijft dreigen,
zal vat op haar toekomst krijgen.
Laat herinneringen zwijgen,
in ontluisterend bestaan
‘k Wil dit toekomstbeeld verdringen
‘Kom op moeder, we gaan zingen’.
Ik zie nu nog twinkelingen,
in haar ogen als we gaan.

© Hans Cieremans

 

De liefde wint altijd

Als herinneringen dwalen
in een doolhof van de tijd,
in een mistig brein verschralen,
zwevend in vergetelheid.
Als herinnering verschrompelt,
ben je van je trots berooid,
word je door angst overrompeld,
dan vergeet ik je toch nooit.

Als herkenning gaat bezwijken,
in een zware levenslast,
waarin waardigheid gaat wijken,
het decorum aangetast.
Als herkenning gaat verdwijnen
in dat mistig labyrint.
Zelfs al lijk je weg te kwijnen,
weet dat onze liefde bindt.

Liefde heeft ons steeds verbonden,
niets wat ons van liefde scheidt.
Liefde heelt de diepste wonden,
zelfs al ben ik je haast kwijt.
Liefde zal het altijd winnen,
ondanks mijn verdriet en rouw.
Altijd zal ik je beminnen,
omdat ik zo van je hou.

© Hans Cieremans

 

Het hoofddoekje

Zij komt uit het ver Marokko
en zorgt voor een oude man.
Ze neemt stof af, zeemt zijn ramen,
ja, ze doet echt wat ze kan.
Doet de vaten, wast zijn kleding
en zorgt voor zijn boterham.
En daarbij draagt zij een hoofddoek,
want ze hoort bij de Islam.

Zij werkt hard bij de bejaarden,
dat geeft haar een goed gevoel.
’t Is soms moeilijk hier te aarden,
want ze komt uit Istanbul.
En soms wordt ze uitgescholden,
als ze loopt door Rotterdam,
dat komt meestal door haar hoofddoek,
want ze hoort bij de Islam.

Zij werkt in de linnenkamer
van een groot verpleegtehuis.
In Irak is zij geboren,
maar ons land dat is haar thuis.
Ondanks vele vieze klusjes,
werkt ze hier al jaren lang.
En daarbij draagt zij een hoofddoek,
want ze hoort bij de Islam.

Wie zorgt straks voor onze oudjes,
want de zorg schiet tekort.
Iedereen die zou toch willen,
dat de zorg weer beter wordt?
Maar gelukkig zijn er mensen,
die ons helpen als het kan.
En die dragen soms een hoofddoek,
want ze zijn van de Islam.

© Hans Cieremans

 

 

De hond

Klik op deze link om ‘de hond ‘ te beluisteren
https://soundcloud.com/hans-cieremans/10-de-hond

Het was een hele trouwe hond
van bijna negen jaar.
Hij en zijn lief bazinnetje
behoorden bij elkaar.
Ze woonden al die jaren saam
in een kleine flat.
Hij deelde met haar eten
en sliep bij haar in bed.

Ze waren heus niet eenzaam zo,
al kwam er nooit bezoek.
Alleen kwam er zo nu en dan
een juffrouw van de hoek.
Die deed dan alle boodschappen
en nam het hondje mee.
Maar pas als hij weer thuis was,
dan was hij pas tevree.

Opeens werd toen het vrouwtje ziek,
ze kwam niet uit haar stoel.
Het hondenbeest gaf dat alras
een heel erg raar gevoel.
Hij sprong steeds naar haar benen op
en kefte telkens luid.
‘t Was alsof het diertje zeggen wou:
‘Kom ga nou met me uit.’

Het vrouwtje moest toen weg uit huis,
ze kon niet meer alleen.
Waar moest ze met haar trouwe hond
nu toch eig’ lijk heen.
Ze vroeg het aan de juffrouw,
maar die zei: ‘Arme ziel,
ik kan die hond niet hebben.
Hij moet naar het asiel’.

Het vrouwtje in ‘t verpleegtehuis
werd steeds meer depressief.
Al waren alle zustertjes
toch wel heel erg lief.
Maar ja, zonder haar trouwe hond
was ze alles kwijt.
En in ’t asiel daar werd het dier
van zijn lot bevrijd.

© Hans Cieremans

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als het begint te haperen

Ach lieve jongen, ik zou het niet weten,
steeds vaker zoek ik naar jouw naam.
Het lijkt of ik steeds vaker meer ga vergeten,
waarvoor ik mezelf diep schaam.
Soms gaat het heel simpel om daag’ lijkse zaken,
soms ben ik de dag gewoon kwijt.
Je kunt haast met mij ook geen afspraak meer maken,
ik heb geen benul meer van tijd.

Soms laat ik mijn eten ook domweg aanbranden
of heb ik geen gas aangezet.
Dan word ik heel boos, ik vind het een schande,
dat ik er niet op heb gelet.
Om te onthouden, schrijf ik vaak een briefje,
dat leg ik dan op het dressoir.
Ik ben in de war, ach help me toch liefje
Ik vind het verschrikkelijk naar.

Soms laat ik ook domweg het eten aanbranden.
O, heb ik je dat al gezegd?
Zie je nou wel, een schande, een schande,
wat wordt mij geheugen toch slecht.
Fijn, dat je voor mij wat tijd hebt genomen
want ik ben behoorlijk van streek.
Zo lang ben je al niet meer bij me gekomen
Wat zeg je? Drie keer deze week?

Dat is toch niet waar, was jij hier ook zondag?
Wat zeg je me daar, lieve man?
Dat ik was gevallen en op het balkon lag?
‘k Herinner me niks meer daarvan.
Zeg wil je koffie, dan zal ik het maken
Waar staan de kopjes ook weer?
Ik kan hier toch zo ontmoedigd van raken,
ik weet het gewoon echt niet meer.

© Hans Cieremans