de Alzheimer-gevangenis

De Alzheimer-gevangenis
kent een schrikbewind.
Vluchten is onmogelijk
voor wie zich daar bevindt.
Wanhopig ga je daar op zoek
naar een sprankje licht.
Het voelt er onbehagelijk,
de deuren zijn potdicht.

De Alzheimer-gevangenis
is een naar gebouw.
Alles lijkt daar op elkaar,
het is er grijs en grauw.
Zit je daar opgesloten,
eenzaam, kil en bang,
dan is vrijheid utopie,
je zit er levenslang.

De Alzheimer-gevangenis
is  ontzettend leeg,
je kan er niet ontsnappen,
geen mens die gratie kreeg.
Maar we blijven vechten,
we houden moed en hoop,
dat eens die gevangenis,
rijp is voor de sloop.

© Hans Cieremans

 

Als ik dood ben

Als ik dood ben, ben ik bij je,
want ik laat je nooit alleen.
‘k Ben onzichtbaar, toch aanwezig,
al is ’t anders dan voorheen.
Nee, je kunt me niet meer horen
en je kunt me niet meer zien.
Maar door vaak aan me te denken,
voel je mij toch wel misschien.

Als ik dood ben, blijf ik in je,
geloof mij maar op mijn woord.
‘k Deel met jou herinneringen,
daarmee leef ik in jou voort.
Moet je desondanks soms huilen,
denk dat aan de mooie tijd,
die we samen ooit beleefden,
voel zo mijn aanwezigheid.

Als ik dood ben, sta ik naast je,
ben ik ver weg toch dichtbij.
Ik blijf altijd op je wachten,
eens dan kom je weer bij mij.
Het komt goed, pluk nu de dagen
tot je ook je rust hier vindt.
Dan delen we opnieuw de liefde,
waar de dood het nooit van wint.

© Hans Cieremans

 

 

bejegening

Zuster, ‘k wil je graag vertellen,
dat ik vroeger juffrouw was.
Wat nu tegenwoordig groep heet,
noemden wij destijds nog klas.
In mijn klas zaten veel kind’ren,
soms wel veertig  in mijn tijd.
Op ’t rapport kregen ze nog cijfers
voor gedrag en ook voor vlijt.

Ik was altijd dol op kind’ren,
ik kreeg  er helaas geen één.
Toen mijn man is overleden,
was ik helemaal alleen.
Toen ging ik vrijwillig werken,
wel drie dagen in de week.
Dat gaf afleiding,  dat snap je,
het was in de bibliotheek.

Ja, ik zou dit graag vertellen,
maar dat lukt me nu niet meer.
‘k Vind je aardig en behulpzaam,
maar iets doet me toch wel zeer.
Want je noemt me steeds maar ‘lieverd’
en je noemt ook vaak ‘schat’.
En weet je, dat vind ik kwetsend,
zeg zuster, begrijp je dat?

Want ik ben echt niet je liefje,
ook jouw schatje ben ik niet.
Zeg je dat omdat ik oud ben
en mijn oude ‘ik’ niet ziet?
Het is fijn dat jij me leuk vindt
en echt waar, ik zie je graag.
Maar spreek mij toch met mijn naam aan,
vind je ’t gek dat ik dat vraag?

Ik kon wel je oma wezen
en je zat niet in mijn klas.
Ik wil graag bejegend worden
net zoals ik vroeger was.
Ik wil niet worden betutteld,
ook al is het goed bedoeld.
Weet als ze mij ‘schatje’ noemen,
voor mij zelfs respectloos voelt?

© Hans Cieremans

 

 

worstelen met dementie

Ik worstel met jouw dementie,
wat mij onzeker maakt.
Een ontluisterend en proces,
dat ons beiden raakt.
Ik wil jou heel graag helpen,
maar doe ik het wel goed?
Adviezen zijn er talrijk,
maar toch zinkt soms mijn moed.

Je claimt me echt de hele dag,
soms dan word ik boos
en verlies ik mijn geduld,
voel ik me machteloos.
Daarna voel ik me schuldig,
als ik zo lelijk doe.
Kon ik je maar begrijpen,
maar ik weet niet meer hoe.

Ik cijfer steeds mezelf weg,,
het is ontzettend zwaar.
Ik houd van jou,
maar ‘k ben je kwijt,
soms ben ik er mee klaar.
Maar als jij ongelukkig bent,
dan breekt er iets in mij.
’t Geluk dat wij hebben gekend,
dat is voorgoed voorbij.

Ik worstel met jouw dementie,
een eenzaam, bang gevecht.
Plannen zijn uiteen gespat,
daar komt niets van terecht.
Geluk is nu herinnering,
toekomst geeft geen hoop.
En dat bewijst maar al te meer:
‘Geluk is niet te koop’.

© Hans Cieremans

 

 

afasie

Spraakwaterval,
zinnen die vloeien.
Sprekerstalent,
woorden die boeien.
Fijn als je dat kan,
praten als Brugman.
Vertel je verhalen,
zeg wat je voelt.
Leg mensen uit,
wat je bedoelt.
Het lijkt zo normaal,
de woorden die stromen.
Maar soms kan daar zomaar
een einde aan komen.

Een hersenbloeding, een prop in je bloed,
je moet naar de logopedie
Je hakkelt, je stottert, je praat niet meer goed.
Dat heet uh….dat heet uh…. Dat heet uh….afa…afa……afasie…..hèhè

Wat je wel weet
kun je niet zeggen.
En hoe dat komt,
wil je uitleggen.
Maar woorden ontbreken,
die je wil spreken.
En word je nijdig,
al helpt ‘t geen zier.
Drie woorden spreken,
duurt een kwartier.
Als er tot slot
wat woorden uitflappen,
zeggen ze nog
jou niet te snappen

Afasie maakt je verdrietig en boos,
hoewel het aan vechtlust niet schort.
En omdat jij doorvecht word ik sprakeloos,
daarvoor schieten woorden te kort.

© Hans Cieremans

 

 

oorlogsverleden

Hij heeft de oorlog meegemaakt,
hij is nu hoogbejaard.
Herinneringen aan die tijd
brengen hem van de kaart.
Door dementie wordt het herleefd,
het heden is hij kwijt.
Dat versterkt herinnering
aan de oorlogstijd.

Hij woonde toen in Rotterdam,
dat werd gebombardeerd.
Zijn ouders kwamen daarbij om,
maar hij bleef ongedeerd.
Traumatische gebeurtenis,
‘t werd nooit meer verwerkt.
Maar bijna niemand weet dat meer,
dus wordt het niet gemerkt.

Bijvoorbeeld bij een barbecue
wordt hij heel angstig want,
dan ruikt het naar de slachtoffers,
die destijds zijn verbrand.
Ook als een vliegtuig over vliegt,
raakt hij in paniek.
De oorlog speelt weer door zijn hoofd
vol wanhoop en tragiek.

Op vier mei klinkt op tv
om acht uur de ‘last post’.
Wie herkent zijn tranen dan,
wie geeft hem dan nog troost?
Na driekwart eeuw herdenken wij
‘Nederland is vrij’.
Maar de oorlog in die man,
gaat nooit meer voorbij.

© Hans Cieremans

wie ben jij en wie ben ik?

Wie ben jij en wie ben ik,
waar ga ik naar toe?
Ik wil uit dit doolhof weg,
naar de uitgang toe.
Ken jij mij? Ken ik jou ook?
Waar ken je mij dan van?
Ik wil uit de mist vandaan,
weet jij waar ik dat kan?

Fijn, je loopt wel met me mee,
is het nog ver weg?
Alles is zo mistig hier,
ik ken hier heg noch steg .
Weet je ook hoe laat het is?
‘k Heb geen idee van tijd.
Ik moet naar mijn moeder toe,
Ze is me denk ik kwijt.

Gaan we goed? Ik weet het niet,
ik heb geen idee.
Houd me vast, voor ik verdwaal,
ik loop wel met je mee.
Ik wil naar mijn moeder toe,
heb ik dat al gezegd?
Wat ben ik blij als ik haar zie,
dan ben ik weer terecht.

Kunnen wij niet verder hier?
Zit de deur op slot?
Ik ben zo moe, ik kan niet meer,
ik ga hier aan kapot.
Ik ben zo bang, het is zo koud,
verdwijn nou niet direct.
Beloof dat jij hier bij me blijft,
totdat de mist optrekt.

©Hans Cieremans

 

Eigen leefwijze

Hij dronk dagelijks veel borrels
al vanaf zijn vroegste jeugd.
Nu zegt de verpleeghuisdokter,
dat zijn drankgedrag niet deugt.
Ook rookte hij behoorlijk stevig,
wel een pakje op een dag.
En de zuster liet hem weten,
dat het hier in huis niet mag.

Hij gedroeg zich altijd keurig,
reed nooit met een borrel op.
Want zelfs bij de leukste feestjes
was zijn vrouw steevast de bob.
Roken was thuis niet bezwaarlijk,
al zag zijn huis blauw van rook.
Maar zijn vrouw vond het niet erg,
want ze rookte zelf ook.

Ja, het was wel een verslaving
en nu op zijn oude dag,
moet hij wonen in ‘t verpleeghuis
waar zijn verslaving niet meer mag.
Nu krijgt hij ontwenningspillen,
dagelijks één borrel maar.
Want zo zijn immers de regels,
’t valt hem zwaar na zoveel jaar.

‘Eigen schuld’ zeggen veel mensen,
zijn teleurstelling is groot.
Veel werd van hem afgenomen,
waar hij altijd van genoot.
Alles draait nu om gezondheid,
veiligheid staat bovenaan.
De regie voor eigen leven,
tot hoever kan dat nog gaan?

© Hans Cieremans

werken in de zorg

Hoge werkdruk, rapporteren
en te weinig personeel.
Zorgzwaarte die steeds toeneemt,
het wordt allemaal te veel.
De vergrijzing die zich voortzet,
het tekort in het budget.
En we blijven terecht roepen
om meer handen aan het bed.

Maar waar vinden we die handen,
die meer dan broodnodig zijn?
Want juist liefdevolle handen,
die verzachten heel veel pijn.
Geven kwaliteit van leven,
staan voor warme aandacht borg.
Levenszin in laatste fase:
‘t Valt en staat met goede zorg.

Handen kunnen we weer vinden
als het werk wordt gewaardeerd.
Als je dankbaarheid gaat horen,
voor hetgeen de zorg presteert.
’t Zit hem niet in protocollen,
regeltjes of zorgrapport.
Maar als ’t hart weer mee mag spreken,
denk ik dat het beter wordt.

Want dan zoeken jonge mensen
vaker naar en zorgbaan.
Omdat zij bij kunnen dragen
aan een waardevol bestaan.
Het gaat niet alleen om kennis,
want de zieke wacht met smart,
om sociale vaardigheden,
spontaan zorgen met je hart.

© Hans Cieremans

 

volhouden

Er zijn mensen die me vragen:
‘Mens hoe houd je het toch vol?’
Dan zeg ik, om niet te klagen:
‘Ik ben geverfd door de wol’.
Maar het voelt vaak heel anders,
’t duurt zo lang, ik ben doodmoe.
En voel ik dan waterlanders,
dan geef ik er niet aan toe.

Het is loodzwaar om te zorgen
voor een mens met dementie.
Mijn gevoel houd ik verborgen,
terwijl ik ’t niet overzie.
Maar wat helpt het om te klagen?
Ik verdring het maar non-stop.
Soms zijn er ook goede dagen
en daar teer ik dan maar op.

Nu kom ik mezelf flink tegen,
’t wordt uiteindelijk te veel.
‘k Heb een burn-out gekregen ,
alles grijpt me naar de keel.
Ik ben niet vooruit te branden
‘k weet niet hoe het beter wordt.
Alles glipt nu uit mijn handen,
ook mijn zorgplicht schiet tekort.

En nu hoor ik mensen zeggen:
‘Tja, dat krijg je er nu van’.
En dat kan ik niet weerleggen,
maar zeg mij: ‘Wat moest ik dan?’
Dementie, dat treft ons  beiden.
omdat zoveel wordt verwoest.
Maar hoewel we samen lijden,
’t is de liefde die nooit roest.

© Hans Cieremans