Oma

Toen oma nog verkering had
ruim zestig jaar gelee,
had bijna niemand telefoon,
een auto of tv.
Oma droeg een retro jurk,
haar bad was een lavet.
Met zusjes op één kamertje
in een stapelbed.

Toen oma nog verkering had
ruim zestig jaar gelee,
zat zij braaf met opa saam
op een canapé.
En vrijen toen, dat deed ze wel,
stiekem in een steeg,
dan hoopte ze dat niemand hen
daar in de gaten kreeg.

Oma heeft nu Alzheimer,
opa leeft niet meer.
En als ik nu bij oma kom,
beleeft zij vroeger weer.
Dan praat ze over opa,
hun allereerste zoen,
het steegje en de canapé.
Oma praat van ‘toen’.

Oma heeft dan op haar schoot
een bakelieten pop.
En als ik zeg: ‘wat is ze lief’,
dan fleurt ze extra op.
Dan praat ze weer van opa,
haar zusjes, de lavet.
Steeds hetzelfde verhaal,
terwijl ik koffie zet.

Oma heeft nu Alzheimer,
leeft met herinnering,
niet van vandaag, maar van de tijd,
dat zij met opa ging.
Ik zal ervan genieten,
steeds als ik bij haar ben.
En dat zal ik blijven doen,
until they ‘ll meet again.

© Hans Cieremans

Vader

Als jij in de spiegel kijkt,
zeg mij: ‘Wie zeg je dan?’
Is dat die stoere bink van toen
of een bejaarde man?
Of zie jij helemaal niet meer,
dat jij die man daar bent?
Omdat jij door je dementie,
jezelf niet meer herkent.

Als je in de spiegel kijkt,
zeg mij: ‘Wat zie je dan?’
Is dat de pa die van me hield
of weet je daar niks van?
Zie jij misschien jouw vader daar
op wie je zoveel lijkt?
Of zie jij daar een vreemdeling,
waarnaar jij roerloos kijkt?

Als ik samen met jou kijk,
zie je mij daar dan staan?
Zeg je dan: ‘Jij bent mijn kind’
of zal je dat ontgaan?
Maar zelfs als je mij niet  ziet
en mij niet meer herkent.
Dan ontgaat het mij echt niet,
dat jij mijn vader bent.

Als wij voor de spiegel staan,
dan vraag ik; ‘Vader kijk,
zie jij ons en zie je dan
dat ik ook op jou lijk?
Ik wil je graag bedanken,
voor alles wat je deed.
Je zit voor altijd in mijn hart,
ook als je ’t niet meer weet’.

© Hans Cieremans

 

 

Vier oude mensen (een dag in het verpleeghuis)

Vier oude mensen,
met zoekende blikken,
je hoort een pendule,
monotoon tikken.
Op tafel een mandje,
een nep plastic plantje,
brocante kleedjes,
een oud wandtapijt,
beklemmende stilte,
terwijl tijd verglijdt.
Op een kantoortje
staan zusters te praten.
De sfeer is bedompt,
de stemming gelaten.

Vier oude mensen,
die koffie krijgen
aan een ronde tafel,
ze dutten of zwijgen.
Omdat ze niets willen,
zuster deelt pillen,
voor na het eten,
met een hap vla,
zo glijdt ‘t naar binnen,
ze rusten daarna.
En dan is het tijd
voor activiteiten,
voor wat ontspanning,
wat spontaniteiten.

Om vier uur terug
naar de ronde tafel.
Ze krijgen wat sap,
met een stroopwafel,
Bij ’t avondeten
wordt niet veel gegeten.
En om zes uur,
nog koffie gezet.
Niet veel personeel,
dus vroeg naar hun bed.
Vier mensen zijn moe
en als ze gaan gapen,
zeggen de zusters,
‘’t Is tijd om te slapen’.

En morgen????

Vier oude mensen,
met zoekende blikken,
je hoort een pendule,
monotoon tikken.
Op tafel een mandje,
een nep plastic plantje,
brocante kleedjes,
een oud wandtapijt,
beklemmende stilte,
terwijl tijd verglijdt.
Op een kantoortje
staan zusters te praten.
De sfeer is bedompt,
de stemming gelaten.

©  Hans Cieremans

Ik moet naar huis

‘Doe de deur eens open nou,
want ik hoor hier niet thuis.
Mijn moeder zit te wachten,
laat me los, ik moet naar huis.
Ik heb drie kleine kinderen,
twee dochters en een zoon,
Het is al laat, ik moet hier weg,
naar huis toe, waar ik woon.

Wat ben jij een liegebeest,
jij bent toch niet mijn zoon?
Mijn zoon is klein, hij is pas vier.
Ach, jij jokt heel gewoon.
Moedertje, waar ben je nou?
Ze laten mij niet door.
Weg die hand, ik ben het zat,
ik moet naar huis toe hoor.

Houdt me nou niet tegen zeg,
ik sla je, ik word kwaad.
Blijf van me af, ik sla je niet,
als jij me buiten laat.
Ik moet naar mijn moeder toe,
schiet op, een beetje vlug
Help me nou, ik word zo moe,
ik moet naar huis terug’.

De moraal

Haar moeder en haar kinderen,
komen uit vroeger tijd.
Die tijd, dat is het ‘nu’ voor haar,
het biedt haar veiligheid.
Ga met haar samen mee naar toen,
zodat haar angst verstomt
En deel met haar haar wereldje,
totdat ze echt Thuis komt.

© Hans Cieremans

 

 

You ‘ll never walk alone!

Schaamte, angst en schuldgevoelens,
opgelaten, treurig, boos.
Onmacht, eenzaam, onbehaaglijk,
gefrustreerd en rusteloos.
Uitgeput en zenuwachtig,
ongelukkig, ongerust,
melancholisch en chagrijnig,
spijt, wanhopig, uitgeblust.

’t Is een doolhof van emoties,
die haast iedereen doormaakt.
Maar er zijn Alzheimer-momenten,
waar je diep door wordt geraakt.
Door ontroering en door liefde,
mededogen, tederheid.
waar je ook door wordt getroffen,
met gevoel van dankbaarheid.

Tegenstrijdige gevoelens
in een turbulente tijd.
Steeds weer vallen en weer opstaan,
in een niet te winnen strijd.
Het is moeilijk troost te vinden,
want wie treft de juiste toon?
Toch is ’t goed om te beseffen:
‘You ‘ll never walk alone!’

© Hans Cieremans

 

De glimlach

Achter jouw glimlach
zijn tranen verborgen
van onzichtbaar verdriet.
De buitenkant vrolijk,
de binnenkant zorgen,
maar geen mens die het ziet.
Je ziet er goed uit,
je toont levenslustig,
maar je buitenkant liegt
Hij is niet echt,
je bent bang, onrustig.
Je glimlach is schijn die bedriegt.

Achter jouw glimlach
zijn tranen verborgen
van onzichtbare pijn.
Je leeft met de dag,
je denkt niet aan morgen,
want beter zal dat niet zijn.
Zo poog je steeds weer
je pijn te verdringen,
met glimlach, die pijn verzacht.
Totdat je tranen
niet zijn te bedwingen,
meestal in eenzame nacht.

Achter jouw glimlach
zijn tranen verborgen
van onzichtbaar verdriet.
De buitenkant vrolijk,
de binnenkant zorgen,
maar geen mens die het ziet.
Toch zal verdriet
het niet blijven winnen,
‘t wordt verweven in tijd.
Eens vindt de glimlach
de weg weer naar binnen,
daar vind je dan ook dankbaarheid.

© Hans Cieremans

 

Het kluisje

Morgen is vandaag verdwenen,
net als gisteren vandaag.
Wat gebeurde kortgeleden
is niet meer of nog heel vaag.
Maar herinnering aan vroeger,
blijft nog lang onaangetast,
opgeborgen in een kluisje,
dat soms aangenaam verrast.

Er ontvouwt zich een lang leven,
als dat kluisje opengaat.
In dat kluisje is verleden
in herinnering paraat.
Daarin zitten de verhalen
en de liedjes van weleer.
Hun gevoelens en emoties,
van de hun vertrouwde sfeer.

Als het kluisje is gesloten,
pak de sleutel van het slot.
En gaat met hen mee naar vroeger,
hun momenten van genot.
Luister naar wat zij vertellen,
want dat is hun wereld nu.
En geniet van hun verhalen,
hun belangrijk déjà-vu.

Morgen is vandaag verdwenen,
net als gisteren vandaag.
Wat gebeurde kortgeleden
is niet meer of nog heel vaag.
Al lijkt toekomst haast verdwenen,
duik met hen hun ‘vroeger’ in.
Huil en lach, herinner samen,
want dat geeft hun leven zin.

© Hans Cieremans

 

 

Hoop en vertrouwen

Zal je mij opnieuw herkennen,
ergens aan de overkant?
Weet jij mij de weg te wijzen
in dat onbekende land?
Zal je mijn naam dan weer noemen,
pak je mij weer stevig beet,
in een innige omhelzing,
zoals jij dat vroeger deed?

Worden wij opnieuw gelukkig,
net zoals het vroeger was?
Toen de toekomst naar ons lachte
in het altijdgroene gras?
Zal verdriet dan zijn vergeten,
van jouw nare dementie?
Komen wij ooit bij elkander,
in hernieuwde energie?

In mijn twijfelend vertrouwen,
komen wij weer bij elkaar.
Bij vertrouwen kun je hopen,
wordt de toekomst minder zwaar.
Gaat vertrouwen ooit verloren,
dan is hoop een utopie.
Maar als het vertrouwen uitkomt,
weet ik dat ik jou weer zie.

© Hans Cieremans

Levenseinde

Zwijgend loopt de rij naar binnen,
mensen staken hun gesprek.
D’ afscheidsdienst gaat zo beginnen,
iedereen zoekt naar een plek.
Stil geschuifel tussen stoelen,
soms en snik of zachte kuch.
Het verdriet is goed te voelen,
het ging achteraf zo vlug.

‘Jesu joy of men’s desiring’
klinkt zacht op de achtergrond.
‘t Stemt de mensen tot ontroering,
mijn verlies, hun open wond.
Dan wordt er heel mooi gesproken
in een fraaie afscheidsspeech.
”t Leven dat is afgebroken,
was gelukkig niet voor niets.’

Mijn familie diep bewogen
bedankt het bezoek en God.
‘Wat de toekomst brengen moge’,
is het lied voor aan het slot.
Langs de kist lopen de gasten,
brengen nog de laatste groet,
aan hem die zijn levenslasten
afgelegd heeft. ’t Is voorgoed.

Zullen mensen hem begroeten,
die hem reeds zijn voor gegaan?
Zal hij liefdes weer ontmoeten
in een vredig nieuw bestaan?
De wens, vader der gedachten,
dat dit een illusie is?
Ik weet niet wat te verwachten,
ik weet slechts dat ik hem mis.

© Hans Cieremans

Waken

Rood is de secondewijzer,
die zich wegtikt in de tijd
‘k Volg minutenlang zijn rondjes,
maar de tel die ben ik kwijt.
Het duurt lang, ik zit te waken,
naast me ligt er een Margriet,
die ik pak, ik kijk slechts plaatjes,
want het lezen lukt me niet.

En die wijzer blijft maar draaien
in een monotone sleur.
In een klok met zwarte cijfers,
boven een gesloten deur.
Dan haal ik een beker koffie
uit de koffieautomaat.
Zo verstrijken hier de uren
en intussen wordt het laat.

‘k Krijg wat eten van de zuster
en ze kijkt of jij goed ligt.
Ik voel tranen, maar ik huil niet,
‘k geef een zoen op je gezicht.
Dan kijk ik weer naar die wijzer
en die draait nog altijd voort.
En ik zeg: ‘Jij was de liefste’.
Ik hoop dat jij dit nog hoort.

Rood is de secondewijzer,
die zich wegtikt in de tijd.
Zal hij nog veel rondjes draaien,
voordat onze weg zich scheidt?
De Margriet heb ik bekeken,
dus die leg ik naast me neer.
Ik waak tot jouw klokje stilstaat.
Zie ik jou daarna ooit weer?

 © Hans Cieremans