het poesiealbum

Mijn oma’s eikenhout dressoir
stond vroeger bij haar thuis.
Ze zette ‘t in haar kamertje
van het verpleegtehuis.
En in de la van het dressoir,
lag naast een ansichtkaart
het poesiealbum uit haar jeugd,
dat zij steeds had bewaard.

Ik pakte ‘t album uit de la,
keek er nieuwsgierig in.
‘k Zag versjes van haar ouders staan
en van haar jeugdvriendin.
Er waren plaatjes ingeplakt,
de versjes waren vroom.
Het moralistisch vingertje
van tante en van oom.

Ik las oma versjes voor,
het deed haar heel veel deugd.
Het was voor haar herinnering
uit haar vroegste jeugd.
‘In d’ hemel zijn er engeltjes,
op d’ aarde zijn er geen.
Daar zijn alleen maar bengeltjes,
daarvan ben jij er één’.

Daarna borg ik het album op,
terug weer in de la.
Oma was terug in haar tijd
en zij genoot nog na.
En ik was blij, ik had contact,
zo vaak had ik dat niet.
Omdat haar rotte dementie
het heden niet toeliet.

Oma was een bengeltje,
ja, zij was er echt één.
Nu is ze vast een engeltje,
want zij ging rustig heen.
Haar poesiealbum ligt bij mij,
soms lees ik versjes na.
En zo bewaar ik oma’s jeugd
bij mij thuis in een la.

© Hans Cieremans

 

Mijn verborgen ‘ik’

Nu mijn ‘ik’ zich heeft verborgen
in mijn schemerige brein,
wil jij dan nog voor mij zorgen,
er als vroeger voor me zijn?
Slechts ‘er zijn’, meer is niet nodig,
pak mijn hand, geef mij een zoen.
Alles meer is overbodig.
meer hoef jij echt niet te doen.

Door mijn ‘ik’ ben ‘k jou vergeten
en contact leg ik niet meer.
Ook mijn lichaam is versleten,
maar wat blijft: ‘gevoel voor sfeer’.
Troost me daarom met jouw aandacht
en met jouw aanwezigheid.
‘k Voel vertrouwen als je glimlacht,
warmte en genegenheid.

Wil je voor me blijven zorgen
tot mijn allerlaatste snik?
Eens vertrek ik op een morgen,
weg uit mijn verborgen ‘ik’.
Dan verdwijnen de hiaten
en mijn angst wordt weggewist.
Dan mag jij mijn hand loslaten,
breekt de zon door in de mist.

Dan hoef jij niet meer te zorgen,
er niet meer voor mij te zijn.
Is mijn ‘ik’ niet meer verborgen,
als ik in je droom verschijn.
Alles kan immers in dromen
en wie weet gebeurt het toch,
dat je eens bij mij zult komen
en zijn dromen geen bedrog.

© Hans Cieremans

 

 

praten, praten, praten

Er wordt over mij gesproken,
tijdens een vergadering.
Over mijn te korte lontje,
over mijn benadering.
Men noemt mij daar achterdochtig,
mijn gedrag is ongepast
en de andere bewoners,
bezorg ik veel overlast.

Er wordt over mij gesproken,
door familie en bezoek.
Ik heb negatieve invloed
en een vies ruikende broek.
Mensen blijven op een afstand
en ze zijn vooral kortaf.
‘k Zie dat ze van mij kletsen,
het bezoek roddelt wat af.

Er wordt over mij gesproken,
wat ze met me moeten doen.
Mijn decorum is verdwenen,
het ontbreekt me aan fatsoen.
Volgens hen gaat niet langer,
ik hoor hier niet langer thuis.
Ik breng onrust bij bewoners,
ik bezorg alleen maar ruis.

Mensen praten, praten, praten
mensen klagen steen en been.
‘Geef die man toch medicijnen,
stuur hem ergens anders heen’.
Hierdoor voel ik mij niet veilig,
ik weet niet meer waar ik ben.
Ik kan niemand hier vertrouwen,
omdat ik geen mens herken.

Ik wil weg, ik wil naar huis toe,
laat me los, houd mij niet vast.
Nee, ik laat me hier niet dwingen,
kletspraat met je overlast.
En als je mij terecht gaat wijzen,
geef ik je een scheldpartij.
‘t Wordt pas beter als je dit doet:
‘Praat niet OVER, maar MET mij’.

© Hans Cieremans

 

 

Laten wij ze niet vergeten

Laten wij ze niet vergeten,
als ze ons vergeten zijn.
Laten wij wat zonlicht schenken
in hun schemerige brein.

Laten wij hun tranen drogen,
met de warmte van ons hart.
Laten wij ze richting geven
in de weg die hun verwart.

Laten wij ze niet vergeten,
als herinnering verbleekt.
Laten wij dan naar hen luist’ren,
als slechts hun verleden spreekt.

Laten wij dan mee bewegen
in beleving van weleer.
Laten wij vertrouwen geven,
niets steeds zeggen ‘kan niet meer’.

Laten wij ze niet vergeten,
als ze ons vergeten zijn.
Laten wij elkaar beloven
om er steeds voor hen te zijn.

©Hans Cieremans

 

 

na de diagnose

Liefste ga niet zitten treuren,
droog je tranen, zoek je lach.
Huil niet om wat gaat gebeuren,
leef bewust en pluk de dag.
Samen gaan we op vakantie
zoek iets leuks en maak een plan.
Toekomst geeft ons geen garantie,
dus geniet, nu het nog kan.

Kwijn niet weg, kom vier het leven
dan ik vier het met je mee.
Wat de toekomst ons zal geven,
dat treft ons toch alle twee?
Denk maar niet aan wat gaat komen,
wat er komt dat zien we dan.
Laten wij nog samen dromen
en dat doen, nu het nog kan.

Er zijn zoveel leuke dingen
en daarvoor is nu nog tijd.
Bouwen aan herinneringen
leef vooral in dankbaarheid.
Als we soms toch moeten huilen
kruip dan dicht tegen mij an.
liefdevol bij elkaar schuilen,
net als toen, nu het nog kan.

© Hans Cieremans

Wereld Alzheimerdag

Dag van gedenken, dag van bezinnen,
dag om erbij stil bij te staan.
Dag van: ‘Er is nog zoveel te winnen’,
dag die ons niet mag ontgaan.
Dag van verdriet, dag van frustratie,
van onvoorspelbaar gedrag.
Dag van berusting en van acceptatie
Wereld Alzheimerdag.

Dag van de hoop, dag van vertrouwen,
dag van: ‘Opgeven nooit’.
Dag om te delen en om te beschouwen,
dag van: ‘Het komt heus goed, ooit’
Dag van de aandacht, dag van veel vragen,
dag van ‘vaak ook tegenslag’
Dag van geduld  en ‘zwaar om te dragen’.
Wereld  Alzheimerdag .

Dag van herin’ ring, dag van omarmen,
dag van respect, empathie.
Dag van de liefde, dag van verwarmen,
dag van: ‘Stop dementie’.
Dag van alleen, dag van het samen,
dag van een traan en een lach.
Dag van de altijd blijvende namen.
Wereld Alzheimerdag.

© Hans Cieremans

 

de (zorg)mantel

Als de mantel je te zwaar wordt
en slijtageplekken krijgt.
Als er gaten in gaan vallen,
hier en daar tot scheuren neigt.
Als je hem toch door moet dragen,
tot de allerlaatste draad.
Dan zou jij hem willen uitdoen,
maar je weet dat dat niet gaat.

Die zware, versleten mantel
is dan vaak een grote last.
Maar uittrekken is geen optie,
hoewel hij niet goed meer past.
‘t Voelt als plicht om hem te dragen
ook al is hij stuk, verbleekt.
Tot de mist op zal gaan trekken
en het zonnetje doorbreekt.

Dan pas kun jij die jas uitdoen
en verdwijnt de mist en kou.
En die oud, versleten mantel,
is voorgoed niet meer voor jou.
Ja, die mantel moest je dragen,
omdat dat niet anders kon.
Maar eens mag je weer genieten
zonder mantel, in de zon.

© Hans Cieremans

Zuster, hoor eens

Zie me niet als een verwarde,
achterdochtige persoon
en benader mij beslist niet
op betuttelende toon.
Noem me daarom dus geen ‘lieverd’,
doe niet of je me goed kent.
Ik ben net een mens als jij hoor,
ook al noem je mij ‘dement’.

Ik ben oud en ook volwassen,
gebruik dus geen babytaal.
Vriend’ lijk zijn vind ik geweldig,
maar praat met mij heel normaal.
Ook al raak je soms vertederd,
ook al ben je me soms zat,
ook al vind je me wel aardig,
dan ben ik nog niet jouw ‘schat’.

‘k Ben van zorg helaas afhank’ lijk
en dat doet me best veel pijn.
Desondanks ben ik jou dankbaar,
dat je er voor mij wil zijn.
Bouw aan wederzijds vertrouwen,
ook al maak ik soms misbaar.
Praat daarbij met mij respectvol,
gelijkwaardig aan elkaar.

© Hans Cieremans

 

 

de rolstoeldans

Het was op woensdagmiddag,
om twee uur zat ze klaar.
Want zij ging naar de rolstoeldans,
met keurig gekamd haar.
De mensen zaten in een kring
en de muziek ging aan.
Ze klapten op het ritme mee
en zongen mee spontaan.

Ook mevrouw klapte flink mee,
had zelfs een beetje sjans,
want meneer, die naast haar zat,
vroeg haar toen ten dans.
Ze zwierden met de rolstoelen,
als vroeger ‘quick, quick slow’.
Ze zwaaiden met hun armen mee
en ze genoten zo.

Af en toe een rustmoment,
een liedje tussendoor.
Wat krakerige vrolijkheid
van het bejaardenkoor.
Daarna nog een versnapering,
een glaasje advocaat.
En voor ze ’t wist was het voorbij.
‘Ach, is het al zo laat?’

Mevrouw ging haar kamer terug,
toen zei ze ‘Wat een feest’.
Maar tien minuten later wist ze niet,
dat zij was weg geweest.
Maar zij was opgetogen,
bewegen deed haar goed,
Ik was door haar bewogen,
‘t bewijst: ‘Bewegen moet’.

© Hans Cieremans

onthechten

Ik heb heel wat te verwerken,
want ik ben sinds kort alleen.
‘k Laat er niet zoveel van merken,
ik sla mij er wel doorheen.
Maar soms hoor ik mensen zeggen:
‘Er lijkt niet veel aan de hand’.
Moet ik werk’ lijk dan uitleggen?
‘Dat is slechts mijn buitenkant’

Weet je, ‘k wil gewoon niet treuren,
want dat helpt me immers niet.
Door mijzelf wat op te beuren
camoufleer ik mijn verdriet.
‘Je bent sterk’ zeggen de mensen,
maar wat kan ik anders doen?
Ik zou heel graag anders wensen,
maar het wordt nooit meer als toen.

Heus, van binnen kan ik brullen,
al mijn buitenkant is schijn.
Maar ik wil mijn taak vervullen,
‘k wil er voor mijn kind’ ren zijn.
’t Heeft geen zin om te beschrijven
hoe ik mij van binnen voel.
Voor mijn kind’ ren wil ik blijven,
dat is nu mijn levensdoel.

Ik behoef geen medelijden,
medeleven doet me goed.
Tranen wil ik echt vermijden,
ik huil thuis wel als het moet.
Daar kan ik het best onthechten,
daar voel ik hoe zwaar het is.
Want ik moet er hard voor vechten,
omdat ik jou vrees’ lijk mis.

© Hans Cieremans