Liefde op leeftijd

Ze waren vele jaren buren
en met elkaar heel goed bevriend.
Ze hadden samen veel gelachen,
maar soms ook met elkaar gegriend.
Hun kinders van dezelfde leeftijd,
hebben vaak met elkaar gespeeld.
Nu zijn de kinderen volwassen,
hun ‘lief-en-leed’ werd ook gedeeld.
Toen is een buurman overleden,
de ander was net weduwnaar.
En de twee die achter bleven,
trokken toen in bij elkaar.

Maar de man ging dementeren,
werd zijn geheugen een vergiet.
Zij wilde hem wel graag verzorgen,
op den duur lukte dat niet.
Nu leven ze voorgoed gescheiden,
hij moest naar het verpleegtehuis.
Zij kan ‘t alleen zijn niet verdragen,
verwaarloost zich, zit eenzaam thuis.
Ze hoort heel weinig van de kind ‘ren,
dat vindt zij een groot gemis,
die maken ruzie met elkander
over geld en d’ erfenis.

Zo leeft ze met herinneringen,
aan haar vriend en aan haar man,
aan de kind ‘ren en de vriendschap,
bekijkt ze foto’s nu en dan.
Als zij haar vriend soms gaat bezoeken,
neemt zij het fotoalbum mee.
Dat ziet ze ook bij hem herkenning,
geluksmomentje voor hun twee.
Na een kwartiertje is dat over,
dan zinkt hij weg, want hij is moe.
Ouder worden is een zegen,
maar belangrijk is wel……hoe?

© Hans Cieremans

In een wereld waar het schemert

In een wereld waar het schemert,
waar het duister steeds meer wint.
Waar de angst en de zinloosheid
rijke voedingsbodem vindt.
Waar het denken in een nevel
van herinnering verschraalt.
In die wereld is herkenning
met de tijd voorgoed verdwaald.

In een wereld waar het schemert
verzinkt daglicht in de nacht.
Schaduwen zijn hersenschimmen,
daar wordt levenszin ontkracht.
’t Is een wereld van vergeten
in een tragisch levenslied.
Waar het ‘ik’ diep is verborgen
in een doolhof van verdriet.

In een wereld waar het schemert,
waar het tijdsbesef ontbreekt.
Wordt het nu niet meer begrepen,
terwijl toen en straks verbleekt.
In die onbegrepen wereld,
daar smoort troost in het gemis.
Slechts de liefde breekt de schemer,
lichtje in de duisternis.

© Hans Cieremans

Ouderenmishandeling

‘Zuster, ik moet nodig plassen,
helpt u mij naar het toilet?
‘Straks mevrouw, heel even wachten,
want meneer hier wil naar bed’.
‘Maar ik moet ontzettend nodig,
echt, ik houd het haast niet meer’.
‘Toch nog eventjes geduld maar,
ik ben bezig met meneer’.

‘Zuster, het is al te laat hoor,
heel mijn jurk is kleddernat’.
‘Bah, wat vies u maakt me boos hoor,
ik ben uw gedrag echt zat.
Denkt u dat ik niks te doen heb,
waarom hebt u dit gedaan?
Ik breng u nu naar uw kamer,
u krijgt uw pyjama aan’.

‘Zuster, ’t is een ongelukje,
sorry voor de overlast.
Moet ik nu al in pyjama?
Dat vind ik wel ongepast’.
‘Ja, dan moet u maar niet plassen,
schiet maar op mevrouwtje, kom.
Om vier uur dan houdt mijn dienst op.
Kijk hier is uw nachtjapon.

Voor de zekerheid een luier,
voor als het nog eens gebeurt.
Houdt eens op met protesteren,
want ik vind wel dat u zeurt.
Klaar, u mag weer naar eetzaal,
om zes uur dan komt het brood.
In uw luier kunt u plassen,
dus roep niet bij hoge nood’.

‘Zuster, ik moet nodig plassen,
helpt u mij naar het toilet?’
‘Dat hoeft niet van mijn collega,
zij gaf u een luier net’.
‘Maar ik wil geen luier dragen,
ik wil nu naar de wc’.
‘In uw zorgplan staat geschreven,
dat u zeurt, dus ik zeg: Nee’.

© Hans Cieremans

Het zorgdossier

Het zorgdossier,
dat moet bepalen:
‘Wat zijn de doelen
die jij wilt behalen?’
Daarbij moet je leren,
te specificeren.
Maak doelen meetbaar,
beschrijf hoe het moet.
En maak je keuze,
hoe je het doet.
Schrijf op wanneer
je af wilt gaan ronden.
Zo maak je de doelen
ook tijdgebonden.

En weg is de aandacht voor de cliënt,
de tijd is daarvoor te beperkt.
Geen praatje, geen douchebeurt of activiteit,
het zorgplan moet eerst bijgewerkt.

Proces en product
evalueren.
Wat heb je behaald?
Je moet resumeren.
Wat heb je geboden,
wat was je methode?
Hoe ga je verder,
wat is je besluit?
Gaat de cliënt
nu langzaam vooruit?
Schrijf alles maar op,
’t Is jouw reflectie.
En zorg dat het klopt
voor de inspectie.

En weg is de aandacht voor de cliënt,
de tijd is daarvoor te beperkt.
Maar wel protocollen en dikke dossiers,
de overheid zegt dat het werkt.

© Hans Cieremans

 

Een kerkdienst in het verpleeghuis

Hij is in huis de dominee,
hij houdt daar alle weken,
een kerkdienst voor de ouwetjes,
met zang en korte preken.
Men zegt dat al zijn toespraken,
altijd buitengewoon zijn.
En de preek zou deze week
van de verloren zoon zijn.

‘Die zoon die trok de wereld in’,
sprak dominee verheven.
‘Totaal berooid kwam hij weer t’ rug.
Zou pa hem dat vergeven?
Maar zijn vader was juist blij,
hij leek het wel te dromen.
Hij gaf een feest omdat zijn zoon,
toch weer was thuis gekomen.

De zoon vertoonde heel veel spijt,
dat hij was weggelopen.
Hij besefte: Bij mijn pa
staan deuren altijd open’.
Na het ‘amen’ van de preek,
zei dominee: ‘We zingen,
een lied dat past bij dit verhaal.
Wie kan er één verzinnen?’

Er werd heel goed nagedacht:
Zou er een lied goed passen?
De dominee die wachtte af,
hij liet zich graag verrassen.
Toen heeft een heel oud dametje
de oplossing gegeven.
Ze stelde voor: ‘Ach, was ik maar,
bij moeder thuis gebleven’.

© Hans Cieremans

Bingo in het verpleeghuis

Elke woensdag om twee uur
is het weer bingotijd.
De oudjes komen naar de zaal
voor wat gezelligheid.
De kaarten worden uitgedeeld,
kop koffie, plakje cake.
Alles klaar, dus spelen maar.
Zo gaat dat elke week.

Als er iemand ‘bingo’ roept
in ’t clubje ‘zilvergrijs’,
dan wordt de kaart gecontroleerd,
krijgt hij of zij een prijs.
Soms blijkt de ‘bingo’ vals te zijn,
geen prijs dus achteraf.
In plaats daarvan zing je een lied,
want dat is dan je straf.

Maar als je wel gewonnen hebt
krijg je een stukje zeep,
een geurtje of een doosje snoep
of chocoladereep.
En als de pauze dan aanbreekt,
zoals het altijd gaat,
krijg je een frisje of een pils,
een glaasje advocaat.

Om vier uur is het weer voorbij.
En moe , maar ook voldaan,
zie je alle oudjes weer
naar hun kamer gaan.
‘Bingo’ is een medicijn
tegen de eenzaamheid.
Ze kijken steeds naar woensdag uit,
dan is het ‘bingotijd’.

© Hans Cieremans

 

Het psychogeriatrisch verpleeghuis

Schuifelend door lange gangen
en zich vasthoudend aan stangen,
die daar langs de muren hangen,
lopen oudjes zinloos rond.
Dat is hoe ze tijd benutten,
‘t lopen lijkt hen uit te putten,
straks dan zitten ze te dutten,
ogen dicht en open mond.

Zonder naar de zin te vragen,
slijten zij hun levensdagen,
maar je hoort ze zelden klagen,
zien niet meer de werk’ lijkheid.
Alles lijkt er grijs te kleuren,
achter de gesloten deuren,
flarden van urinegeuren,
die verwaaien met de tijd.

Dat is het verpleeghuisleven,
worden pillen voorgeschreven,
advocaatje wordt gegeven,
toch nog wat gezelligheid.
Maar je krijgt snel in de gaten,
dat ook dat niet lijkt te baten,
‘t lijkt een oord door God verlaten,
ieder is de weg hier kwijt.

En ze blijven rondjes lopen,
want de deuren gaan niet open.
En ze kunnen nog slechts hopen
op misschien een nieuw begin.
Schuifelend door lange gangen
en zich vasthoudend aan stangen,
geeft dit twijfelend verlangen
nog een beetje levenszin.

© Hans Cieremans

Genegenheid

 

Haar man ligt in het verpleeghuis,
ze gaat daag’ lijks naar hem toe.
Maar voor haar, een vrouw op leeftijd
is dat steeds weer een gedoe.
Ze moet eerst een eindje lopen,
daarna gaat ze met de tram.
’t Is een reis van haast een uurtje
en dan is ze pas bij hem.

Dan geeft zij hem maar een zoentje
en een aai over zijn kop.
Ach, wat zou ze hem graag knuff’ len,
maar hier houdt het wel mee op.
Zo gaat dat dus elke middag,
er is geen gelegenheid,
voor wat privacy en warmte
en wat meer genegenheid.

Samen maken ze een praatje
en de zuster geeft hen thee.
Dan nog een klein stukje lopen,
hij gaat in de rolstoel mee.
Ach, wat valt er te vertellen,
’t is hetzelfde elke dag.
Soms dan vraagt ze aan de zuster
of hij wel een pilsje mag.

Dan gaat zij maar weer op huis aan,
na bezoek van korte duur.
Want ze moet nog eten koken
voor je ’t weet is het zes uur.
En dan zit zij met haar prakje,
haar man aan een sneetje brood.
Eens beloofden ze elkander
‘Wij zijn samen tot de dood’.

Maar nu leven ze gescheiden,
omdat het niet anders kan.
En dat maakt haar heel verdrietig,
want ze houdt zo van haar man.
Wat zou zij nog graag eens slapen,
lepel, lepel, zij aan zij.
Dat kan niet in het verpleeghuis,
die tijd is voorgoed voorbij.

© Hans Cieremans

Klantgerichte zorg

Er zijn zoveel managers,
altijd druk bezet.
Het ontbreekt hen aan de tijd
voor handen aan het bed.
Want alles moet geregistreerd,
volgens de wet verplicht.
En dan naar een vergadering.
Dat noem je klantgericht.

Er is personeelstekort
de zorgtijd beperkt.
De zuster die chagrijnig wordt
raakt danig overwerkt.
Dan worden fouten snel gemaakt
ten koste van de klant.
Omdat men overspannen raakt,
loopt het snel uit de hand.

Dan komt inspectie op bezoek,
die dan een oordeel velt.
‘Dit huis staat nu als zwak te boek,
het is hier slecht gesteld’.
De zusters zijn haast radeloos,
want zij krijgen de schuld.
De inspectie gaan dan weer,
de zakken goed gevuld.

En in het bed ligt de cliënt,
geen zuster is te zien.
Eerst ‘t zorgplan up to date,
dan is er tijd misschien.
Wie weet zo rond het middaguur,
voor hulp bij het diner.
Maar dan weer snel naar het kantoor,
t ’rug naar het zorgdossier.

Het klantgerichte zorgplan,
daarvan klopt echt geen zier.
Dat is intussen niks meer dan
schijnwaarheid op papier.
Maar de inspectie is tevree,
als het dossier maar klopt.
Om zes uur wordt men klantgericht
weer in zijn bed gestopt.

© Hans Cieremans

 

De demente vrouw

Ze zit verdrietig bij het raam,
ik vraag aan haar: ‘Wat scheelt er aan?’
Ze haalt haar schouders op en zwijgt.
Ik dring niet door tot haar verdriet.
Ze reageert ook bijna niet
op de aandacht die ze krijgt.
Ik sla mijn arm dan om haar heen,
vraag: ‘Voel je je alleen?’
Ik zie bij haar de tranen wellen,
zachtjes fluistert zij een naam.
Maar ik kan het niet verstaan,
wat wil zij nog meer vertellen?

 Zo leeft ze in haar eigen wereld,
waarin ze niet herkent.
Een mens kan daar niets aan verand’ ren,
want mevrouw die is dement.

 Soms ga ik bij haar op bezoek,
bekijk met haar een fotoboek
met plaatjes uit een vroeger tijd.
Ineens pakt ze mijn hand en lacht.
‘k Had zo’n reactie niet verwacht,
ze zegt verstaanbaar: ‘Kleine meid’.
Ze wijst me dan een foto aan
waarop haar man en dochter staan,
op het strand van Scheveningen.
Ze geeft de foto dan een kus
en is zich kennelijk bewust
van die herinneringen.

 Zo leeft ze in haar eigen wereld,
waarin ze soms herkent.
Een mens kan zo haar pijn verlichten
al is mevrouw nog zo dement.

 En doe ik dan het album dicht
en kijk ik dan naar haar gezicht.
Zie ik haar ogen sluiten,
de hand laat los, ze ziet me niet.
Ze valt weer terug in haar verdriet,
het heden staat weer buiten.
Die vrouw verdrietig en dement
kon toch genieten van ’t moment.
Ik mocht het mee beleven.
Met wat aandacht en respect,
heb ik bij die vrouw ontdekt,
kon ik haar leven toch zin geven.

 Al leeft ze in haar eigen wereld,
u weet wat ik bedoel,
als ik zeg: ‘Demente mensen,
klein van geest, groot in gevoel’.

© Hans Cieremans