vreugde in herinneringen

Mijn verdriet dat is de vreugde,
van ’t geluk dat jij mij bracht.
Dat geluk moet ik nu missen
en dat had ik nooit bedacht.
Samen waren we een eenheid,
zo verweven met elkaar.
Die verbinding is beschadigd
na een band van zoveel jaar.

Mijn verdriet dat is de vreugde
van een heel lang samenzijn.
Met een wederzijds vertrouwen
dat geeft nu juist hartenpijn.
Wij geloofden in elkander,
alles hebben we gedeeld.
Mededeelzaamheid is weg nu
en wordt ook niet meer geheeld.

Mijn verdriet dat is de vreugde
van de liefde die  je schonk,
de genegenheid, je warmte
al heb ik nog steeds die vonk.
Maar ik moet die liefde missen,
en dat doet ontzettend zeer.
Liefde die ik jou blijf geven
die beantwoordt jij niet meer.

Mijn verdriet dat is de vreugde,
van wat wij hebben beleefd.
’t Zit nu in herinneringen,
wat me troost bij tranen geeft.
’t Geeft me kracht voor jou te zorgen,
omdat mij dat heel diep raakt.
Vreugde in herinneringen,
wat het leven draag’ lijk maakt.

© Hans Cieremans

In Alzheimerland

In Alzheimerland
zijn namen vergeten,
gezichten zijn daar onbekend.
De tijd staat er stil,
het mist alle dagen,
zodat je niet weet waar je bent.
In Alzheimerland
leven de mensen,
waarbij herinnering faalt.
Wat was en wat is
zijn in de verwarring
omdat ze in tijd zijn verdwaald.

In Alzheimerland
zijn aandacht tekorten,
waardoor er houvast verbleekt.
Er is behoefte
aan zorg en aan liefde ,
die er zo vaak nog ontbreekt.
In Alzheimerland,
is veel angst en boosheid,
de dag is met leegte gevuld.
De  mensen zijn daar
alleen maar bereikbaar,
met een eng’ lengeduld.

In Alzheimerland
zijn veel mensen samen
en toch zijn ze alleen.
’t Ontbreekt aan vertrouwen,
herkenning en inzicht
geen mens wil naar dat land heen.
In Alzheimerland
is  hulp keihard nodig,
laat ze niet staan in de kou.
Al zijn ze ver heen,
of boos, achterdochtig
Ze hebben behoefte aan jou.

© Hans Cieremans

verzet

‘Wie zijn toch die vreemde mensen?
Ik herken hier geen gezicht.
Ik wil weg, ik moet naar huis toe.
Waarom zit de deur hier dicht?
Wie ben jij, toch niet mijn dochter?
‘k Moet naar huis, mijn moeder wacht.
Laat me gaan, houd mij niet tegen.
Wie heeft mij hier heen gebracht?

Zeur niet zo, ik wil geen koffie,
‘k erger me hier geel en groen
Laat me los, ik wil niks eten.
Waarom moet ik rustig doen?
Laat me gaan, maak de deur open,
wie denkt u wel dat u bent?
Ik moet weg hier bij die mensen,
alles is hier onbekend’.

‘k Ben zo moe, mag ik gaan zitten?
Ik begrijp er niets meer van.
Moet ik blijven, ook hier slapen?
En waar is mijn moeder dan?
O, wat zal ze ongerust zijn,
‘k denk de hele dag aan haar.
‘k Geef het op, bent u hier zuster?
Geef me toch de koffie maar.

Ja, ik heb een lieve moeder,
zij zorgt altijd goed voor mij.
Waarom moet ik nou hier blijven?
‘k kan er met mijn pet niet bij.
Nou, de koffie smaakt best lekker
heb jij die voor mij gezet?
Dank je wel, ik wil nu slapen.
Zuster, breng je me naar bed?

© Hans Cieremans

ouders blijven altijd

Onvoorwaardelijke liefde,
de geborgenheid, de vreugd,
zitten in herinneringen
aan een onbezorgde jeugd.
Uit de tijd toen je naar school ging,
onbekommerd hebt gespeeld,
wat in wederzijds vertrouwen
met je ouders werd gedeeld.

Maar het wordt ineens heel anders,
als een ouder overlijdt,
Geen herinnering meer delen,
van vreugd en geborgenheid.
Dan is er een wond geslagen,
waarvoor altijd werd gevreesd,
die ingrijpend, confronterend
pas na lange tijd geneest.

Al je vreugde wordt dan weemoed,
de geborgenheid verdwijnt.
Onbezorgde jeugd van vroeger,
komt dan plotsklaps tot zijn eind.
En al zal de wond genezen,
’t litteken dat blijft altijd.
Maar eens zal de pijn verand’ ren
van verdriet in dankbaarheid.

 Dan geniet je van verhalen
en de foto’s van weleer,
de gelukkige momenten,
en van liefde en veel meer.
En je lach breekt door je tranen
als je denkt aan vroeger tijd.
Ouders kun je gaan verliezen,
maar je raakt ze nooit echt kwijt.

© Hans Cieremans

in je ‘diep verzonken-ik’

Wel aanwezig, toch afwezig,
heel dichtbij, maar toch ver heen.
heel vertrouwd, toch onherkenbaar
bij elkaar, maar toch alleen.
Zo diep in je ‘ik’ verzonken,
geen reactie meer te zien.
Toch geef ik fysieke prikkels
en zo voel je mij misschien.

Want ik aai je door je haren,
ik geef kusjes op je hoofd.
Tot de dood ons eens zal scheiden,
dat heb ik jou ooit beloofd.
Ik zing ook jouw liev’ lings liedjes,
met mijn mond dicht bij je oor,
misschien tegen beter weten,
dringt er toch nog iets van door.

En zo moet ik wel aanvaarden,
wat zo onaanvaardbaar is.
En al ben ik heel dichtbij je,
ik voel dat ik je nu al mis.
Wel aanwezig, toch afwezig,
heel dichtbij, maar toch ver heen.
heel vertrouwd, toch onherkenbaar
bij elkaar, maar toch alleen.

© Hans Cieremans

 

morgen is er weer een dag

Ik probeer je te bereiken,
maar het lukt me niet vandaag.
Waarom weiger je mijn aandacht?,
dat is wat ik mij afvraag.
Is het een teveel aan prikkels
of is het juist eenzaamheid?
Je bent afwezig en verdrietig,
en je bent van alles kwijt.

Ik moet weg, zo laat je blijken,
wat ik doe, ‘k krijg geen contact
En zo zit je in een  rolstoel,
huilend onderuit gezakt.
Als ik jou probeer te troosten
word je boos, scheld je mij uit.
‘k Merk dat als ik dichtbij kom,
ik alleen op weerstand stuit.

Wat me dan het meeste pijn doet,
dat jij me niet meer herkent.
Vroeger noemde jij me ‘liefste’,
nu ben ik een ‘vieze vent’.
‘k ga naar huis, want langer blijven,
heeft vandaag geen enk’ le zin
En ik kan je wel vertellen,
dat beukt er behoorlijk in.

Thuis ga ik mijn potje koken
dat doe ik nog altijd zelf.
‘k Kijk tv en ik ga slapen,
meestal rond een uur of elf.
Maar ik kan de slaap niet vatten,
‘k voel me rot door jouw gedrag.
Maar ik houd vol, ik blijf komen,
morgen is er weer een dag.

© Hans Cieremans

blijf jij bij mij?

Blijf jij bij mij, nu ik weg zak
in mijn wereld waar ik leef,
waar ik dreig jou te vergeten,
terwijl ik heel veel om je geef?
Blijf jij bij mij, als ik boos doe
en ik jou niet meer vertrouw?
Want al ben ik achterdochtig,
‘k houd ontzetten veel van jou.

Blijf jij bij mij, nu ik dwalend
steeds op zoek ben naar mijn ‘ik’,
die ik kwijt raak in mijn bubbel,
waar ik steeds meer in verstrik?
Blijf jij bij mij, ondanks twijfel
of ik jou nog wel herken?
‘k Heb je nodig in mijn wereld,
waar ik niet weet waar ik ben.

Blijf jij bij mij, nu mijn leven,
wegglipt in  vergetelheid,
waar de jaren en seizoenen
gaan verdampen in de tijd?
Blijf jij bij mij, als het ook lijkt
dat mijn levenszin verbleekt?
Want haast alles is zo zinloos,
als jouw aandacht mij ontbreekt.

Blijf jij bij mij, nu ik bang ben
voor de toekomst die niet is,
voor mijn vrienden en geliefden
die er zijn, maar die ik mis?
Blijf jij bij mij, heel dichtbij mij
ook al ben ik heel ver heen?
Houd me vast tot ik je loslaat,
laat mij nooit, nee nooit alleen.

© Hans Cieremans

alleen zijn

Bij het raam zwaait hij zijn vrouw na,
zij was bij hem om bezoek.
Nog een handkus en een glimlach,
dan verdwijnt ze om de hoek.
Hij gaat op zijn plekje zitten,
vreemde mensen om hem heen,
lieve zusters, lieve broeders,
maar toch voelt hij zich alleen.

Op de hoek zwaait zij haar man toe,
hij woont in ’t verpleegtehuis.
Na zowat een half uurtje
dan is ze weer eind’ lijk thuis.
Maar het is niet meer als vroeger,
zonder manlief om haar heen.
Ja, de kinderen die komen,
maar toch voelt zij zich alleen.

En zo leven ze gescheiden,
het is tegen wil en dank.
Zuster geeft hem een kop koffie,
zij gaat dutten op de bank.
Beiden denken ze aan ‘samen’,
jarenlang waren ze bijeen.
‘Samen’ is totaal veranderd.
‘Samen’ voelt nu ‘heel alleen’.

© Hans Cieremans

Klachten

De bezoekers in ‘t verpleeghuis
zien hoe hard er wordt gewerkt.
Maar ze zien soms ook wel dingen,
die niet worden opgemerkt.
Het bezoek zegt tot verzorgers
wat ze anders willen zien.
De verzorging luistert meestal
en past het dan aan nadien.

Er zijn echter soms ook klachten,
die ’t bezoek niet graag vermeld.
omdat er bij hen dan angst is,
dat hun klagen wordt vergeld.
Of bezoek houdt klachten voor zich,
want men wil niet ‘lastig’ zijn.
’t Is gebrek aan het vertrouwen,
een tevreden ‘schone schijn’.

Klachten gaan vaak over aandacht
en over zorgvuldigheid.
‘Moeder heeft meer hulp nodig,
vader is veel spullen kwijt’.
Dan wordt er heel veel verbeterd,
als je luistert naar elkaar.
Want dan is er niemand lastig
en vergelding niet meer waar.

Werk aan wederzijds vertrouwen,
dat is van het grootst belang.
En vertel wat op je hart ligt,
wees voor openheid niet bang.
Iedereen streeft ’t zelfde doel na:
‘De cliënt staat steeds centraal’.
Goede sfeer, goede verzorging
willen wij toch allemaal.

© Hans Cieremans

af scheid van een veelbewogen leven

Nu jouw veelbewogen leven
langzaamaan tot stilstand komt,
waarbij toekomst nog maar kort duurt
en je levenslust verstomt.
En nu jouw gedachten dwalen
in een mistig labyrint,
zal ik altijd voor je klaar staan,
totdat jij de uitgang vindt.

Over slingerende paden
loopt de weg die jij moet gaan.
Na veel uitzichtloze bochten,
kom je bij de uitgang aan.
Dan pas laat ik los in liefde,
want hier is je reis passé.
De herinnering van samen
blijft bij mij, die neem ik mee.

‘k Laat je los in het vertrouwen,
dat het ginds veel beter is.
Al kan ik nog slecht bevatten,
hoe het voelt als ik je mis.
Want ik ben met jou verweven,
onlosmakelijk gehecht.
Het idee van het alleen zijn
maakt me bang en voelt heel slecht.

Nu jouw veelbewogen leven
vanuit mist straks stil gaat staan,
put ik kracht uit onze liefde.
Dat geeft moed om door te gaan.
Moed, gedragen door de liefde,
geeft die kracht, ondanks verdriet.
Niets is sterker dan de liefde,
liefde die begraaf je niet.

© Hans Cieremans