herkennen

Ik zou jou direct omhelzen,
als ik jou herkennen zou.
Dan zou ik je laten voelen,
hoeveel ik nog van je hou.
Ik zou ‘t van de daken schreeuwen,
ik zou alles voor je doen,
als ik jou weer mocht herkennen,
één momentje, net als toen.

Wil je mij niet kwalijk nemen,
als ik jou niet meer herken?
Het komt door die rotte ziekte,
ik weet zelfs niet wie ik ben.
’t Maakt me angstig en verdrietig,
’t maakt me achterdochtig, boos.
Ik ben zoveel kwijt, vergeten
en dat maakt me radeloos.

Had ik nog maar één momentje,
met gevoelens zoals  toen.
Dan gaf ik je mijn omhelzing
met de aller dikste zoen.
Maar het is helaas zo anders,
mijn geheugen is berooid.
Desondanks moet jij beseffen,
echte liefde, die roest nooit.

Als ik afscheid moet gaan nemen,
hoop ik dat je bij me bent
en me vast houdt als ik loslaat
op mijn weg naar ‘onbekend’.
Eens zal ik jou daar omhelzen,
ergens ver van hier vandaan.
Dan zal ik jou vast herkennen,
echte liefde blijft bestaan.

© Hans Cieremans

 

 

het Alzheimerwoud

In de troosteloze bossen
van het groot Alzheimerwoud,
staan alleen maar dode bomen,
is het somber en ijskoud.
Planten kunnen niet meer groeien
en het mist er elke dag.
Kaal gevreten struikgewassen,
zitten vol met spinnen rag.

Het woud lijkt door God verlaten,
’t is een bos dat wordt gehaat.
En ik vraag daarom mezelf af
of er wel een God bestaat?
Want geen mens laat je daar wonen,
’t is een plek waar je van rilt.
Waarom wonen er toch mensen,
angstig, eenzaam, ongewild?

Maar kijk nou, er zijn ook bloempjes,
klein, opvallend, hemelsblauw.
Tedere vergeet-me-nietjes,
die me zeggen: ‘’k Houd van jou’.
Zijn die bloempjes soms een teken,
dat er hoop op leven is,
zelfs in troosteloze bossen,
leven ondanks duisternis?

Ook al zijn vergeet-me-nietjes
eenzaam, kwetsbaar, en heel broos.
Als wij ook van hen gaan houden,
blijft het bos niet troosteloos.
Komen bomen weer tot leven,
verdwijnt kou en spinnen rag
Bloeien de vergeet-me-nietjes,
breekt de zon door op een dag.

© Hans Cieremans

 

 

dat ene plekje

Als ik jou ooit ga vergeten,
als het leven mij verwart
en ik jou niet zal herkennen,
dan zit jij toch in mijn hart.
Daar zal jij nimmer verdwijnen,
zolang als mijn hart nog klopt
en ik neem je mee naar boven,
als mijn hart zal zijn gestopt.

In mijn hart zit al mijn liefde,
die ik ooit heb opgespaard.
Met het speciale plekje,
dat ik voor jou heb bewaard.
Al ga ik mijzelf verliezen,
in angst en vergetelheid,
dan blijft daar dat ene plekje,
daardoor raak ik jou nooit kwijt.

Ook al doe ik achterdochtig,
ben ik angstig, doe ik boos.
Ook al maak ik jou verdrietig,
ongerust of radeloos.
Dan heb ik mijn ‘ik’ verloren,
weet ik niet meer wat mij drijft.
Denk dan steeds weer aan dat plekje,
dat bestaat en altijd blijft.

© Hans Cieremans

Dementie

Jij bent er wel, maar toch ook niet,
je bent dichtbij, ver heen.
Toekomst is herinnering,
samen is alleen.
Je kijkt me aan, maar ziet me niet,
’t vertrouwde dat is vreemd,
je horen is geen luisteren,
thuiszijn is ontheemd.

Oplossen is aanpassen,
contact is geen bereik,
houden van is eenzaamheid,
gelijk is ongelijk.
Al het ‘vroeger’ dat is ‘nu’,
jouw tijd die draait staat stil,
naast je is afstandelijk,
je warmte die is kil.

Maar de liefde blijft bestaan,
is sterk, al is ze broos
De liefde is hoe kwetsbaar ook,
tijd-  en grenzeloos.
‘t Is sterker dan geloof en hoop
en blijft onaangetast.
Liefde dat is loslaten,
maar liefde houdt ons vast,

© Hans Cieremans

 

 

gaten in het brein

Als je verstand gaat haperen
door gaten in je brein.
Dan heb je recht als iedereen
volwaardig mens te zijn.
Niet alleen verstand bepaalt
jouw mens’ lijk levensdoel.
Want jij hebt een kloppend hart,
dat vol zit met gevoel.

Als jouw hart wordt afgeremd,
dan komt dat door je brein.
Maar wat altijd belangrijk is:
‘Dat jij er ook mag zijn’.
Dus laat je hart maar spreken,
toon ons je ware ‘ik’,
jouw pure zelf, zo vol gevoel,
jouw warme rikketik.

Jouw emoties zijn oprecht,
sfeer voel je prima aan.
Jouw hart spreekt via lichaamstaal,
leer ons die te verstaan.
Dan gaan we accepteren,
dat jij jezelf mag zijn.
En blijf je een volwaardig mens,
met gaten in je brein.

© Hans Cieremans

 

nevelgordijn

Zie ze daar lopen
hun ‘ik’ is verscholen
achter een nevelgordijn.
Een sluier van mist,
waarin zij ronddolen,
dichtbij, terwijl ze ver zijn.
Ze schuifelen daar,
op weg naar het niets toe,
de blik op oneindig gericht.
Ze lopen dwangmatig,
onrustig en doodmoe,
in wankelend, broos evenwicht.

Zie ze daar lopen,
afwezig, aanwezig,
in ondoordringbare mist.
Niets doend, hard bezig
met zinloze rondjes,
hun tijd wordt voorgoed uitgewist.
Eenzaam, alleen
lopen ze samen,
zonder een helder motief.
Op zoek naar zichzelf
en vergeten namen,
naar een onbekend perspectief.

Zie ze daar lopen,
dichtbij, onbereikbaar,
het nevelgordijn zit potdicht.
Een schimmig gordijn
waar ik me op blindstaar,
zonder een sprankeltje licht.
Ik houd ze vast,
terwijl ik ze los laat.
Waarheen? Ach, ik heb geen idee.
Toch als het kan,
totdat de mist weg gaat,
loop ik door de mist met ze mee.

© Hans Cieremans

de verdwaalde ik

De dagen verwar je
vaak met de nachten,
je vraagt naar je moeder,
vreemde gedachten.
Wis’ lende stemming,
boosheid, ontremming.
Je wordt niet begrepen,
het maakt je zo bang,
je ijsbeert dwangmatig
over de gang.
De deur zit op slot,
die gaat niet meer open,
om te voorkomen
dat jij weg zou lopen.

Jij kent geen toekomst,
er is slechts het heden,
je weet vaag met flarden
iets uit je verleden.
Je geest is vertroebeld,
je kleding bezoedeld,
dat zit vol met vlekken,
die jij hebt gemorst.
Je handen die trillen,
waardoor je steeds morst.
Je bent onverstaanbaar,
jij bent afatisch.
je staart in het niets,
futloos, apathisch

Gekeerd in jezelf
laat jij je verzorgen.
Je ware emoties
die blijven verborgen.
Je kunt niet meer stralen,
je blijft maar herhalen.
Je gaat achteruit
en dat gaat hard.
Niets is meer helder,
maar alles verward.
Jouw werk ‘lijkheid
is niet de mijne,
zo zie ik je langzaam
in mist gaan verdwijnen.

© Hans Cieremans

de weg van vertrouwen

Kies de weg van het vertrouwen,
waar de liefde je ontmoet.
Liefde die je zal omarmen
in je voor- en tegenspoed.
Waar de troost je traan zal drogen,
ruimte voor je glimlach maakt,
waar verbittering zal wijken
en vertedering ontwaakt.

Kies de weg van het vertrouwen,
die je twijfel overwint,
waar met angst gevulde woede
steeds meer de berusting vindt.
’t Is de weg waar hoop gaat leven,
plaats komt voor je dankbaarheid.
Waar weer toekomstperspectief is,
zelfs bij ongelijke strijd.

Kies de weg van het vertrouwen,
want daar loop je nooit alleen.
Daar is liefde steeds aanwezig
en daar kan geen mens omheen.
Daar kun je je lot aanvaarden,
kleurt de toekomst minder zwart,
daar groeien herinneringen
als een footprint in je hart.

© Hans Cieremans

 

klagen mag (af en toe)

Mantelzorg beheerst mijn leven,
geen moment rust, zelfs niet even,
‘k geef het vierentwintig zeven,
dag en nacht, het houdt niet op.
’t Breekt me op van lieverlede
en ik voel me moegestreden,
‘k heb mijn grenzen overschreden,
al die zorgen aan mijn kop.

‘k Kan geen afspraken meer maken,
steeds meer vrienden die afhaken
‘k moet je dag en nacht bewaken,
voor ‘k weet doe jij weer vreemd.
Elke dag dat negatieve,
achterdocht en destructieve,
ik ben steeds op mijn qui-vive,
‘k voel me in mijn huis ontheemd.

Ik zit hier met duizend vragen
en ik moet die mantel dragen,
daarom wil ik wel eens klagen,
ik ben immers niet van steen.
Ach, jij kunt het schip niet keren
en je kunt je niet verweren,
maar het kan me irriteren,
‘k voel me soms verdomd alleen.

Mantelzorg beheerst mijn leven,
geen moment rust, zelfs niet even,
‘k geef het vierentwintig zeven
en ik zie geen perspectief .
Maar je kunt echt op me bouwen,
dit is ook een vorm van rouwen,
ik zou zo weer met je trouwen,
want je bent en blijft mijn lief.

© Hans Cieremans

 

jou

‘k Mis je stem, ik mis je aandacht,
‘k mis je geur, ik mis je lach.
‘k Mis je flonkerende ogen
en ook zelfs je zelfbeklag.
‘k Mis je rommel in de kamer,
‘k mis je snurken in je stoel.
‘k Mis je mopp’ ren op het eten,
‘k Mis gewoon een heleboel.

‘k Mis je warmte en je charme,
‘k mis ons samen met elkaar.
‘k Mis je zoenen op mijn wangen,
‘k mis het strelen door mijn haar.
‘k Mis je ‘s morgens bij het opstaan,
‘k mis je ’s avonds in het bed.
‘k Mis je thee met een beschuitje,
‘k mis de koffie die jij zet.

Ik moet zoveel van je missen
en ik mis steeds meer en meer.
Onze wederzijdse liefde,
is als eenrichtingsverkeer.
‘k Blijf je missen als die ene,
waar ik vreselijk van hou.
Wat ik mis past in één woordje
en dat woordje dat is  ‘jou’.

© Hans Cieremans