de verdwaalde ik

De dagen verwar je
vaak met de nachten,
je vraagt naar je moeder,
vreemde gedachten.
Wis’ lende stemming,
boosheid, ontremming.
Je wordt niet begrepen,
het maakt je zo bang,
je ijsbeert dwangmatig
over de gang.
De deur zit op slot,
die gaat niet meer open,
om te voorkomen
dat jij weg zou lopen.

Jij kent geen toekomst,
er is slechts het heden,
je weet vaag met flarden
iets uit je verleden.
Je geest is vertroebeld,
je kleding bezoedeld,
dat zit vol met vlekken,
die jij hebt gemorst.
Je handen die trillen,
waardoor je steeds morst.
Je bent onverstaanbaar,
jij bent afatisch.
je staart in het niets,
futloos, apathisch

Gekeerd in jezelf
laat jij je verzorgen.
Je ware emoties
die blijven verborgen.
Je kunt niet meer stralen,
je blijft maar herhalen.
Je gaat achteruit
en dat gaat hard.
Niets is meer helder,
maar alles verward.
Jouw werk ‘lijkheid
is niet de mijne,
zo zie ik je langzaam
in mist gaan verdwijnen.

© Hans Cieremans

de weg van vertrouwen

Kies de weg van het vertrouwen,
waar de liefde je ontmoet.
Liefde die je zal omarmen
in je voor- en tegenspoed.
Waar de troost je traan zal drogen,
ruimte voor je glimlach maakt,
waar verbittering zal wijken
en vertedering ontwaakt.

Kies de weg van het vertrouwen,
die je twijfel overwint,
waar met angst gevulde woede
steeds meer de berusting vindt.
’t Is de weg waar hoop gaat leven,
plaats komt voor je dankbaarheid.
Waar weer toekomstperspectief is,
zelfs bij ongelijke strijd.

Kies de weg van het vertrouwen,
want daar loop je nooit alleen.
Daar is liefde steeds aanwezig
en daar kan geen mens omheen.
Daar kun je je lot aanvaarden,
kleurt de toekomst minder zwart,
daar groeien herinneringen
als een footprint in je hart.

© Hans Cieremans

 

klagen mag (af en toe)

Mantelzorg beheerst mijn leven,
geen moment rust, zelfs niet even,
‘k geef het vierentwintig zeven,
dag en nacht, het houdt niet op.
’t Breekt me op van lieverlede
en ik voel me moegestreden,
‘k heb mijn grenzen overschreden,
al die zorgen aan mijn kop.

‘k Kan geen afspraken meer maken,
steeds meer vrienden die afhaken
‘k moet je dag en nacht bewaken,
voor ‘k weet doe jij weer vreemd.
Elke dag dat negatieve,
achterdocht en destructieve,
ik ben steeds op mijn qui-vive,
‘k voel me in mijn huis ontheemd.

Ik zit hier met duizend vragen
en ik moet die mantel dragen,
daarom wil ik wel eens klagen,
ik ben immers niet van steen.
Ach, jij kunt het schip niet keren
en je kunt je niet verweren,
maar het kan me irriteren,
‘k voel me soms verdomd alleen.

Mantelzorg beheerst mijn leven,
geen moment rust, zelfs niet even,
‘k geef het vierentwintig zeven
en ik zie geen perspectief .
Maar je kunt echt op me bouwen,
dit is ook een vorm van rouwen,
ik zou zo weer met je trouwen,
want je bent en blijft mijn lief.

© Hans Cieremans

 

jou

‘k Mis je stem, ik mis je aandacht,
‘k mis je geur, ik mis je lach.
‘k Mis je flonkerende ogen
en ook zelfs je zelfbeklag.
‘k Mis je rommel in de kamer,
‘k mis je snurken in je stoel.
‘k Mis je mopp’ ren op het eten,
‘k Mis gewoon een heleboel.

‘k Mis je warmte en je charme,
‘k mis ons samen met elkaar.
‘k Mis je zoenen op mijn wangen,
‘k mis het strelen door mijn haar.
‘k Mis je ‘s morgens bij het opstaan,
‘k mis je ’s avonds in het bed.
‘k Mis je thee met een beschuitje,
‘k mis de koffie die jij zet.

Ik moet zoveel van je missen
en ik mis steeds meer en meer.
Onze wederzijdse liefde,
is als eenrichtingsverkeer.
‘k Blijf je missen als die ene,
waar ik vreselijk van hou.
Wat ik mis past in één woordje
en dat woordje dat is  ‘jou’.

© Hans Cieremans

 

levensgeluk

Geschreven op de melodie van ‘het dorp’ van Wim Sonneveld

We woonden in dezelfde straat,
ik zat op school, jij was soldaat,
verliefdheid maakte me van streek.
In ’t weekend kwam je met verlof,
dan leek het altijd net alsof
je bij mij thuis naar binnen keek.
En ja, je kwam een keer voorbij
en lachte breeduit tegen mij
je vroeg mij om verkering
Ik was net van de MULO af,
de eerste zoen die jij me gaf
was na mijn diplomering.

We waren samen in de wolken,
verliefdheid, wat een pril geluk.
Er lag een toekomst voor ons open,
het leven kon voor ons niet stuk.

We waren toen heel jong getrouwd,
we dachten lang nog niet aan ‘oud’,
we kregen ook al snel een zoon.
En nog twee dochters naderhand,
we hadden het heel florissant,
geluk dat leek toen heel gewoon.
We kenden met elkaar veel vreugd,
de kinders met een blijde jeugd,
al was ‘t soms ook veelbewogen.
Ze kwamen allen goed terecht,
de gezinsband bleef heel hecht,
ze zijn intussen uitgevlogen.

We kwamen opnieuw in de wolken,
het leven bracht ons weer geluk.
Jij werd opa en ik oma,
het leven kon nog lang niet stuk.

Maar toen werd het leven hard,
jij raakte angstig en verward.
je was jezelf volledig kwijt.
Ik zocht vergeefs naar mijn soldaat,
die stoere kerel uit mijn straat,
verdwenen in vergetelheid.
Het was een hele boze droom,
geluk bleek niet meer zo gewoon,
jouw dementie raakt ons nu beiden.
Geluk van samen dat verdween,
we zijn nu samen heel alleen,
want we leven nu gescheiden.

We leven nu op donk’ re wolken,
sinds jij naar het verpleeghuis ging.
De toekomst is compleet onzeker,
geluk is nu herinnering.

© Hans Cieremans

 

 

verzonken ik

‘k Zou je zo graag willen troosten,
maar ik weet niet zo goed hoe.
Ik probeerde al van alles,
maar jij laat me niet meer toe.
Jij leeft in je eigen bubbel,
teruggetrokken in je ik.
Je emoties zijn verborgen
achter een gesloten blik.

’k Weet niet hoe je te bereiken,
‘k weet niet wat je denkt en voelt.
‘k Weet niet hoe contact te leggen,
ik snap niet wat je bedoelt.
Ik probeer me in te leven,
‘k luister naar je lichaamstaal.
Maar zelfs dat is onverstaanbaar,
geen herkenning, geen signaal.

‘k Geef je daarom maar veel knuffels
en lichamelijk contact.
En ik hoop dat je het fijn vindt,
als mijn hand de jouwe pakt.
Soms zie ik wel wat reflexen,
als ik liedjes voor je zing.
Is dat dan toch een reactie,
ver weg een herinnering?

Zo probeer ik je te troosten,
‘k Hoop dat ik het dan goed doe.
Ik geef jou basale zorgen
en zing liedjes af en toe.
‘k Laat je in je eigen bubbel,,
in je diep verzonken ik.
En zo blijf ik voor je zorgen
tot het laatste ogenblik.

©Hans Cieremans

wondere wereld

Dementie, een wond’ re wereld,
waar ik niet zoveel van snap,
leidt niet tot een plots’ ling afscheid,
maar een afscheid stap voor stap.
En die stappen moet jij maken
in de mist van jouw bestaan.
Niemand kan jou tegen houden,
ook ik moet je laten gaan.

Jij leeft in die wond’ re wereld,
veelal in verleden tijd.
En hoewel je nog steeds ademt,
raak ik jou steeds beetjes kwijt.
Jij toont nooit meer interesse,
jouw emoties zijn vervlakt.
Je gedraagt je onvoorspelbaar,
er is nauwelijks contact.

Maar toch blijf ik naast je lopen,
ook al ben je al ver heen.
Ik loop mee tot aan het einde,
want ik laat je niet alleen.
Totdat ik je los moet laten,
er nog één stap is te gaan,
naar ik hoop een wond’ re wereld,
met een liefdevol bestaan.

© Hans Cieremans

Als moeder dementie heeft

Ik voel steeds weer die beklemming,
door haar wisselende stemming,
door haar boosheid, haar ontremming,
wat me zo onzeker maakt.
Ik ga bij haar langs of bel haar,
hoe ze is, is onvoorspelbaar.
soms dan is het echt een hel daar,
waardoor ik diep word geraakt.

Dan krijg ik van haar uitbranders,
vroeger was ze zo heel anders
en dan voel ik waterlanders,
‘k word er zo verdrietig van.
Het zijn zulke zware tijden,
‘k wou dat ik haar kon bevrijden.
want ik voel diep medelijden,
maar ik weet dat dat niet kan.

Ik krijg steeds meer in de smiezen,
dat ik haar zal gaan verliezen,
dat ik voor mezelf moet kiezen,
want ik heb nog een gezin.
Mijn gezin moet toch ook doorgaan
en dan heb ik ook nog mijn baan,
‘k kan niet altijd voor haar klaar staan
ook de midlife beukt erin.

Ik zie op tegen de dagen,
maar ik wil liever niet klagen,
ik zal het in stilte dragen,
maar het maakt me wel doodmoe.
Het blijft nooit binnen de perken,
maar toch laat ik nooit iets merken
altijd zorgen, altijd werken,
ik ga straks naar moeder toe.

© Hans Cieremans

regeltjes (discussie)

Hij rookte haast heel zijn leven,
da’s natuurlijk niet gezond.
En hij dronk ook vaak een pilsje
met het flesje aan zijn mond.
Maar zo leefde hij zijn leven,
niet zo slim, maar hij genoot.
Hij dacht geen moment aan stoppen,
want hij ging nog liever dood.

Nu ligt hij in een verpleeghuis
en daar is een rookverbod.
Sterke drank werd hem verboden
en de koelkast ging op slot.
Want dat zijn nu eenmaal regels,
drinken dat is ongepast
en het roken is onveilig
en bezorgt ook overlast.

In het huis zeggen de mensen:
‘Ja, het is zijn eigen schuld.
Had hij anders moeten leven,
overlast wordt niet geduld’.
Nu slijt hij zijn laatste jaren,
zonder roken, zonder drank.
Want de regels zijn de regels,
het moet tegen wil en dank.

Ik begrijp het: ‘Er zijn regels’,
maar we hebben afgeleerd
om nog creatief te denken,
want de regel prevaleert.
We verschuilen ons daarachter,
regels vinden wij heel goed.
Maar door creatief te denken,
kom je wensen tegemoet.

Gun die man zijn laatste maanden
af en toe nog wat plezier.
Dat kan met een sigaretje
en een lekker potje bier.
Zoek daarom naar moog’ lijkheden,
een idee, wees assertief.
Dus als regeltjes gaan knellen,
denk dan weer eens creatief.

© Hans Cieremans

de Alzheimeragenda

In de Alzheimeragenda,
waar het jaartal niet meer geldt,
worden maanden, weken, dagen
en de uren niet vermeld.
Het bevat slechts blanco blaadjes,
met wat krabbeltjes misschien,
die ’t geheugen ondersteunen,
verder is er niets te zien.

In de Alzheimeragenda
staan geen namen, staat geen tijd.
Zijn de regels onbeschreven,
leeg door de vergetelheid.
Afspraken kun je niet maken,
de agenda is toch leeg.
Toekomst is er niet te plannen,
voor wie die agenda kreeg.

In de Alzheimeragenda,
waar het jaartal niet meer geldt,
worden maanden, weken, dagen
en de uren niet vermeld.
Het bevat slechts blanco blaadjes,
die passeren de revue.
Wat die blaadjes nog wel tonen,
dat is het moment van ‘nu’.

In de Alzheimeragenda
is het ‘nu’ van groot belang.
Van dat ‘nu’ kun je genieten,
al is dat meestal niet lang.
Want het ‘nu’ kun je niet plannen,
niet beschrijven, het gebeurt.
De agenda wordt pas zinvol,
als je zelf de blaadjes kleurt.

© Hans Cieremans