moeizaam bezoek

Mijn moeder frutselt aan een kleed,
dwangmatig en verzwakt.
Wat steeds vaker aan me vreet:
‘We hebben geen contact’.
Haar hersenen verschrompelen,
het is zo inhumaan.
Ze kan alleen nog mompelen,
ik kan haar niet verstaan.

Ze kijkt naar mij, maar ziet me niet,
ze frutselt rustig door.
Het doet me pijn en veel verdriet,
waar leeft ze nu nog voor?
Mijn bezoek lijkt zinloos zo,
’t lijkt nergens op te slaan
dus sta ik steeds in dubio
of ik nog wel zal gaan.

Toch ga ik wel, al doet het zeer
maar niet meer zo frequent.
Want moeder is het echt niet meer,
zo ik haar heb gekend.
Ik ga met schoenen vol met lood
het lijkt zo zonder doel.
Dan denk is soms; : ’Was zij maar dood’.
Dat geeft weer schuldgevoel.

Want ik wil haar ook niet kwijt
als ik die indruk wek.
Maar al die tegenstrijdigheid,
maakt me langzaam gek.
Ik blijf naar mijn moeder gaan,
voordat het me berouwt.
‘Moedertje ik kom eraan,
omdat ik van je houd’.

© Hans Cieremans

dankbaarheid

Jij bent nog jong,
een heel leven voor je,
het mijne is bijna voorbij
want ik ben al oud,
ziek en verward vaak
en toch kies je voor mij.
Jij wilt me helpen,
verzorgen, verplegen,
jij wilt er gewoon voor me zijn
en dat waardeer ik,
jij bent echt een zegen,
jij verlicht zo mijn pijn.

Ik ben onrustig,
ik vraag steeds hetzelfde,
en de weg ben ik kwijt.
Dan ben jij daar
je helpt me geduldig,
ook al heb je geen tijd.
Er zijn er zovelen
die jouw aandacht vragen,
maar dat zie ik niet meer.
Daarom lukt het mij niet
om je te zeggen,
dat ik jou reuze waardeer.

Ik ben nu oud,
het einde komt nader,
jij bent nu nog piepjong
Jij bent levenslustig
en kijkt naar de toekomst,
ik kijk alleen achterom.
Maar ‘nu’ momenten,
die delen we samen,
dat is belangrijk voor mij
Jij hebt de toekomst
en ik het verleden
maar ‘nu’ is voor ons allebei.

Dank je wel

© Hans Cieremans

maandag, wasdag

Vroeger in de jaren vijftig
was de was een hele klus.
Dan kwam oma op de wasdag,
naar ons huis toe met de bus.
Dat was altijd op de maandag,
omdat dat de wasdag was.
Oma kwam mijn moeder helpen
en die hulp kwam goed van pas.

Zondagavond zette moeder,
al het wasgoed in de week,
met wat chloor tegen de vlekken
of speciaal zeep voor de bleek.
Dan kwam oma om te schrobben
op een wasbord in een teil.
Hing de was dan aan een waslijn,
zo was toen het levensstijl.

Ik herinner mij de wasdag,
dat mijn oma vroeger kwam.
Oma ging pas weer naar huis toe
‘s middags na de boterham.
En ik vond het altijd jammer
als mijn oma naar huis ging.
Maar  wat altijd is gebleven,
dat is de herinnering.

En die kun je samen delen,
het is pure nostalgie.
Die vaak wonderwel herkend wordt
door een mens met dementie.
Zij herinneren de wasdag,
ketels water op ’t fornuis,
met het wasrek voor de kachel,
en ’t bezoek van oma thuis.

© Hans Cieremans

De woestenij

Blijf bij mij,
als ik loop te dwalen, blijf bij mij,
houd  me stevig vast en blijf dichtbij
in deze woestenij.
‘k Zoek zo lang,
’t Is een jungle en dat maakt me bang,
ik ben radeloos, zo koud, zo moe.
‘k Wil hier weg, maar waar naartoe?

Ik weet niet meer waar ik ben,
omdat ik hier niets herken.
Ik leef in vergetelheid
en de tijd is kwijt en de tijd is kwijt.

En de weg is smal,
door een diep en onbegaanbaar dal,
waar ik niet weet waar hij heen gaan zal,
help mij naar de overkant.

Want het mist en ik ben ziek,
‘k ben alleen en in paniek.
Ik moet door, ik kan niet terug,
waar is nou die brug, waar is nou die brug?

Blijf bij mij,
als ik loop te dwalen, blijf bij mij.
houd  me stevig vast en blijf dichtbij
in deze woestenij.
‘k Zoek zo lang,
’t Is een jungle en dat maakt me bang,
ik ben radeloos, zo koud, zo moe.
‘k Wil hier weg, maar waar naartoe?

Ik weet niet meer waar ik ben,
omdat ik hier niets herken.
Ik loop in vergetelheid,
en de tijd is kwijt en de tijd is kwijt.

Blijf bij mij,
als ik loop te dwalen, blijf bij mij,
houd  me stevig vast en blijf dichtbij
in deze woestenij
‘k Zoek zo lang,
’t Is een jungle en dat maakt me bang,
ik ben radeloos, zo koud, zo moe,
‘k Wil hier weg, maar waar naartoe?

Blijf bij mij,
als ik loop te dwalen, blijf bij mij,
tot de brug leidt naar de overkant
Want ik weet ,daar ben ik vrij,
want ik weet, oh ik weet,
daar ben ik vrij.

© Hans Cieremans

De kracht van liefde

Steeds wanneer jouw ogen zich sluiten,
zit je bewegingsloos, stil.
Er is geen contact, het heden staat buiten,
zelfs aandacht maakt geen verschil.
Ik pak je hand, ik aai op je wangen,
waar jij geen reactie op geeft.
Je geest zit verward in je lichaam gevangen,
je adem toont mij dat je leeft.

Kun je me voelen, kun je me horen,
merk jij dat ik van je houd?
Al je emoties lijken bevroren,
laat ook mijn liefde jou koud?
Ik schud je zacht, je ogen gaan open,
je kijkt, maar ziet me niet staan.
Er is geen herkenning, wat ik zo zou hopen,
ik lijk jou compleet te ontgaan.

Jouw dementie, wat kan ik het haten,
het ging achteraf toch zo snel.
Maar dat is geen reden om jou los te laten,
want ik herken jou nog wel.
Ik geef je liefde, die jij hebt gegeven,
hopend dat pijn iets verzacht.
Ik blijf dat doen, zolang je zal leven,
want liefde voor jou geeft mij kracht.

© Hans Cieremans

het land van emoties

In ‘het land van de emoties’
wonen ‘vreugde’ en ‘verdriet’,
Het ‘verdriet is altijd somber,
maar de ‘vreugde’ die geniet.
Maar toch zijn ze altijd samen,
sterk verweven met elkaar.
Want als ‘vreugde’ wordt verbroken,
staat verdriet gelijk al klaar.

Onlosmakelijk verbonden
zijn ze altijd, levenslang.
In ‘het land van de emoties’
zijn ze beiden van belang.
Want als ‘vreugde’ wordt ontnomen,
door de pijn van het gemis,
voel je met betraande ogen
dat ‘verdriet’ aanwezig is.

In ‘het land van de emoties’,
houdt men niet van het ‘verdriet’,
maar je moet het accepteren,
als de ‘vreugde’ je ontschiet.
‘Vreugde’ kan dan wel goed troosten,
’t zit in de herinnering.
De herinnering aan LIEFDE,
die nog nooit verloren ging.

© Hans Cieremans

afscheid van moeder

Ze ligt in haar bed,
met ogen gesloten,
haar vuisten zijn samengebald..
Een opgebrand kaarsje,
een flikkerend lichtje,
waarvan het lontje straks valt.
Dat is mijn moeder,
die ik moet gaan missen,
het afscheid komt steeds dichterbij.
het valt me zo zwaar,
het maakt me verdrietig,
mijn moeder is alles voor mij

Ik houd haar vast,
terwijl ik haar loslaat.
Straks vindt ze eindelijk rust.
Ik borstel haar haar
en streel zacht haar wangen
die ik menigmaal heb gekust.
Ik wil haar niet kwijt,
maar toch is het goed zo,
ik fluister iets liefs in haar oor.
Het kaarsje is op,
‘k moet zonder haar verder,
want mijn leven gaat immers door.

Ik heb verdriet
voor wat ik ga missen:
‘De vreugde die moeder mij bood’.
Ik laat haar gaan
want ook dat is liefde,
die sterker is dan de dood.
Dat geeft me troost
en kracht voor de toekomst
en valt het lontje straks om.
Dan denk ik met trots
aan de liefde van moeder
en zoek ik niet meer naar ‘waarom?’

© Hans Cieremans

pluk de dag

‘k Zou de dag weer willen plukken,
zoals ik dat vroeger deed.
Alle dingen ‘samen’ delen,
dingen die jij nu vergeet.
Daardoor zijn dagen nu anders,
Wat ik nu pluk is ‘verdriet’,
met soms vluchtige momenten,
waarvan ik met jou geniet.

’t Zijn momenten van herkenning,
van zo af en toe een lach.
Spaarzame momenten ‘samen’,
die wij plukken op de dag.
Nee, de dag als vroeger plukken,
dat is echt verleden tijd.
‘Samen’ is voorgoed veranderd
in gescheiden eenzaamheid.

En zo moet ik wel aanvaarden,
wat zo onaanvaardbaar is.
In de dag die ik wil plukken,
zit het ‘samen’ dat ik mis.
Maar ‘samen’ is niet verloren,
omdat ik het altijd vind
in mooie herinneringen,
door de liefde die ons bindt.

Zo kan ik de dagen plukken,
anders dan ik vroeger deed.
Liefde blijft altijd van ‘samen’,
zelfs als jij het niet meer weet.
Zo maak ik mijn dagen dierbaar,
doordat ik momenten pluk,
van herkenning of jouw glimlach,
want dan kan mijn dag niet stuk.

© Hans Cieremans

Sluimerend ben je aanwezig

Sluimerend ben je aanwezig
in je diep ‘verborgen ik’,
waar jij soms uit kunt ontsnappen
in een helder ogenblik.
Met wat flarden van herkenning,
word ik af en toe verrast.
Het zijn spaarzame momenten
van wat troost en wat houvast.

Schuifelend loop jij je rondjes,
doelloos in jezelf gekeerd.
Brabbel je wat vreemde klanken,
waarop niemand reageert.
Totdat jij ineens mijn naam noemt,
helder, totaal onverwacht.
En dan lijkt het een paar tellen
of je even naar me lacht.

Eerst heb ik nog even twijfel,
heb ik mij misschien vergist?
Maar ik voel dat jouw lach echt is
straaltje zon in dichte mist.
Snel schuifel jij opnieuw weer rondjes
doelloos naar het nergens heen.
Maar we deelden een momentje
samen even niet alleen’.

Sluimerend ben je aanwezig
in je diep ‘verborgen ik’,
waar jij soms uit kunt ontsnappen
in een helder ogenblik.
Met wat flarden van herkenning,
word ik af en toe verrast.
Het zijn spaarzame momenten
en die houd ik stevig vast.

© Hans Cieremans

Soms dan heb je iemand nodig

Soms dan heb je iemand nodig
voor een knuffel of een zoen.
Iemand die naar jou wil luist’ ren
en daarnaast niets hoeft te doen.
Die je aandacht geeft in stilte,
wanneer zwijgen alles zegt.
Die begrip heeft voor de tranen,
waar je aldoor tegen vecht

Soms dan heb je iemand nodig
met een vriendelijke lach.
die een arm om je heen slaat,
die wat kleur geeft aan je dag.
Die je aanvoelt zonder spreken,
waardoor jij weer rustig wordt
Slechts een blik zegt al voldoende,
woorden schieten vaak tekort.

Soms dan heb je iemand nodig
die er simpel voor je is.
Liefdevol, gewoon aanwezig
met begrip voor je gemis.
Iemand die je kunt vertrouwen,
waarmee jij je zorgen deelt.
Iemand die oprecht kan troosten,
die je open wond iets heelt.

© Hans Cieremans