de (zorg)mantel

Als de mantel je gaat knellen
en slijtageplekken krijgt.
Als er gaten in gaan vallen,
hier en daar tot scheuren neigt.
Als je hem toch door moet dragen,
tot de allerlaatste draad.
Dan zou jij hem willen uitdoen,
omdat hij je niet meer staat.

Die totaal versleten mantel
is dan vaak een grote last.
Maar je kunt hem nog niet uitdoen,
hoewel hij je niet goed past.
‘t Voelt als plicht om hem te dragen
ook al is hij stuk, verbleekt.
Tot de mist op zal gaan trekken
en het zonnetje doorbreekt.

Dan kun jij die jas uittrekken
en verdwijnt de mist en kou.
En die oud, versleten mantel,
is voorgoed niet meer voor jou.
Ja, die mantel moest je dragen,
omdat dat niet anders kon.
Maar je mag nu weer genieten
zonder mantel, in de zon.

© Hans Cieremans

Zuster, hoor eens

Zie me niet als een verwarde,
achterdochtige persoon
en benader mij beslist niet
op betuttelende toon.
Noem me daarom dus geen ‘lieverd’,
doe niet of je me goed kent.
Ik ben net een mens als jij hoor,
ook al noem je mij ‘dement’.

Ik ben oud en ook volwassen,
gebruik dus geen babytaal.
Vriend’ lijk zijn vind ik geweldig,
maar praat met mij heel normaal.
Ook al raak je soms vertederd,
ook al ben je me soms zat,
ook al vind je me wel aardig,
dan ben ik nog niet jouw ‘schat’.

‘k Ben van zorg helaas afhank’ lijk
en dat doet me best veel pijn.
Desondanks ben ik jou dankbaar,
dat je er voor mij wil zijn.
Bouw aan wederzijds vertrouwen,
ook al maak ik soms misbaar.
Praat daarbij met mij respectvol,
gelijkwaardig aan elkaar.

© Hans Cieremans

 

 

de rolstoeldans

Het was op woensdagmiddag,
om twee uur zat ze klaar.
Want zij ging naar de rolstoeldans,
met keurig gekamd haar.
De mensen zaten in een kring
en de muziek ging aan.
Ze klapten op het ritme mee
en zongen mee spontaan.

Ook mevrouw klapte flink mee,
had zelfs een beetje sjans,
want meneer, die naast haar zat,
vroeg haar toen ten dans.
Ze zwierden met de rolstoelen,
als vroeger ‘quick, quick slow’.
Ze zwaaiden met hun armen mee
en ze genoten zo.

Af en toe een rustmoment,
een liedje tussendoor.
Wat krakerige vrolijkheid
van het bejaardenkoor.
Daarna nog een versnapering,
een glaasje advocaat.
En voor ze ’t wist was het voorbij.
‘Ach, is het al zo laat?’

Mevrouw ging haar kamer terug,
toen zei ze ‘Wat een feest’.
Maar tien minuten later wist ze niet,
dat zij was weg geweest.
Maar zij was opgetogen,
bewegen deed haar goed,
Ik was door haar bewogen,
‘t bewijst: ‘Bewegen moet’.

© Hans Cieremans

onthechten

Ik heb heel wat te verwerken,
want ik ben sinds kort alleen.
‘k Laat er niet zoveel van merken,
ik sla mij er wel doorheen.
Maar soms hoor ik mensen zeggen:
‘Er lijkt niet veel aan de hand’.
Moet ik werk’ lijk dan uitleggen?
‘Dat is slechts mijn buitenkant’

Weet je, ‘k wil gewoon niet treuren,
want dat helpt me immers niet.
Door mijzelf wat op te beuren
camoufleer ik mijn verdriet.
‘Je bent sterk’ zeggen de mensen,
maar wat kan ik anders doen?
Ik zou heel graag anders wensen,
maar het wordt nooit meer als toen.

Heus, van binnen kan ik brullen,
al mijn buitenkant is schijn.
Maar ik wil mijn taak vervullen,
‘k wil er voor mijn kind’ ren zijn.
’t Heeft geen zin om te beschrijven
hoe ik mij van binnen voel.
Voor mijn kind’ ren wil ik blijven,
dat is nu mijn levensdoel.

Ik behoef geen medelijden,
medeleven doet me goed.
Tranen wil ik echt vermijden,
ik huil thuis wel als het moet.
Daar kan ik het best onthechten,
daar voel ik hoe zwaar het is.
Want ik moet er hard voor vechten,
omdat ik jou vrees’ lijk mis.

© Hans Cieremans

 

het Alzheimerhorloge

Op jouw Alzheimerhorloge
zit een lege wijzerplaat.
Zonder wijzers en getallen,
waardoor er geen tijd op staat.
Daardoor lijkt de tijd verdwenen,
desondanks tikt ‘t klokje door,
naar een onherroep’ lijk einde,
voor je ’t weet sta je daarvoor.

Op jouw Alzheimerhorloge
is alleen het ‘nu’ te zien,
er is nog maar weinig ‘later’
en wat ‘vroeger’ nog misschien.
Al het ‘nu’ kent slechts momenten,
vaak heel kostbaar, maar ook kort
en je weet als ’t klokje doortikt,
dat het ‘nu’ steeds minder wordt.

Met je Alzheimerhorloge
breng je onbegrip teweeg.
In de onrust die dan toeneemt
loopt je batterijtje leeg.
Als het tikken eens gestopt is
vervalt alle tijdsverschil.
Zijn er slechts herinneringen,
staat je klokje eeuwig stil.

Maar dat uitgetikte klokje
is geen waardeloos klein ding.
Omdat ik het dan bewaar als
dierbare herinnering.
Als ik denk aan jouw horloge
met zijn lege wijzerplaat,
voel ik kostbare momenten,
die jij aan mij achterlaat.

© Hans Cieremans

 

 

Wie ben ik?

’t Gaat niet om wat ik mankeer,
niet om wat ik heb,
dat ik aan een ziekte lijd
of aan een handicap.
‘t Gaat niet om beperkingen
en dat ik niet herken.
Vergeet het stempel ‘dementie’,
het gaat om wie ik ben.

Ik vergeet steeds vaker iets,
ik verdwaal in tijd.
Met mijn stempel ‘dementie’
raak ik de weg steeds kwijt.
Dat wordt wel gesignaleerd,
daarop is men attent.
Het ‘stempeltje’ dat kent men wel,
het ‘stempeltje’ ‘dement’.

Ze weten prima wat ik heb,
waar ik tekort in schiet.
Maar wie ik ben, wat mij beweegt,
weten de meesten niet.
Hoe mijn leven is geweest,
wat er in mij  omgaat.
dat blijft gehuld in dichte mist,
wordt niet over gepraat.

Ze zeggen: ‘We zijn klantgericht
bij de therapie’.
Maar de praktijk laat anders zien,
het blijft bij theorie.
Ik heb onaangepast gedrag
en ik heb afasie.
Ik heb een slecht geheugen nu,
ik heb dementie.

De verzorgsters schrijven op
wat ik zoal mankeer.
Wat ik heb, dat weet men wel,
maar ik ben zo veel meer.
Aanvaardt  mij zoals ik ben,
dat is mijn grootste wens.
En als je toch een stempel geeft,
geef dan het stempel ‘mens’.

© Hans Cieremans

levenssporen in de herfst

Levenssporen worden zichtbaar
in de herfst van het bestaan,
als bewijs van een lang leven,
dat snel is voorbij gegaan.
Levenssporen zijn de rimpels,
met hun wijze, milde lach.
waar hun dankbaarheid vertedert,
warmte op hun herfstdag.

In hun leven schijnt de herfstzon,
met berusting op hun pad,
terwijl haren gaan verkleuren,
als een kleurrijk herfstblad.
In hun hart worden verhalen,
opgehaald in mijmerij,
van hun lentes, van hun zomers,
van de bloemen en de bij.

Soms vervallen levenssporen
in een grijze nevel laag.
wordt de herfstkleur grauw en somber,
schijnt het zonnetje maar vaag.
Dan verand’ ren levenssporen,
in een grillig vreemde vorm,
trekken donk’ re wolken samen,
in een zware herfststorm.

Maar als alle levenssporen
zitten ze vol rijpe vrucht.
Vrucht vol met herinneringen,
die het duister overbrugt.
Kostbaar zijn die levenssporen,
door de tijd bijeen vergaard,
met hun mengeling van kleuren
zijn ze onze zorgen waard.

© Hans Cieremans

het allerlaatste stukje

Onze wens is uitgekomen,
‘oud te worden met elkaar’.
Maar dat allerlaatste stukje
is voor ons ontzettend zwaar.
‘t Heeft ons heel vaak mee gezeten,
ook al was er tegenspoed.
Maar dat droegen we dan samen,
al met al ging het ons goed.

Maar ons allerlaatste stukje,
hadden wij niet zo gehoopt.
We doen niet meer alles samen,
nu het leven anders loopt.
Want jij zit in een verpleeghuis,
ik moet ‘mantelzorger’ zijn.
Onze wegen zijn gescheiden
en dat doet ontzettend pijn.

Ja, we hadden nog veel plannen
voor een leuke ‘oude dag’.
Maar die vallen in het water,
nu het niet zo wezen mag.
Nu is ’t allerlaatste stukje
van ‘oud worden met elkaar’
in plaats van ‘samen genieten’,
heel verdrietig en loodzwaar.

‘Oud worden’, dat is een zegen,
maar ‘oud zijn’ dat valt niet mee.
En in onze situatie,
geldt het voor ons alle twee.
Maar al leven we gescheiden
en voelt samen zijn ‘alleen’.
Onze band kan niemand breken
en die band maakt ons toch ‘één’.

© Hans Cieremans

 

 

Actueel

Naar het verpleeghuis vond
zij een verschrikking,
dan ging ze liever nog dood.
Ze legde het vast
in een wilsbeschikking,
die volgens haar uitkomst bood.
Het gaf haar veel rust,
het werd goed geregeld,
ze koos voor de euthanasie.
Nooit een verpleeghuis,
haar wens werd bezegeld,
in laat stadium dementie.

Maar de beslissing
werd aangevochten,
was het genade of moord?
Bij deze vrouw
heerste de twijfel
of ze nog wel was gehoord .
Was haar verklaring
nog wel rechtsgeldig?
Ze was immers niet wilsbekwaam.
Volgens de rechter
was d’ arts onzorgvuldig
en daarom treft haar nu blaam.

Vaak is de dood
een grote vijand.
Soms is de dood juist een vriend.
Want is er sprake
van uitzichtloos lijden,
dan is de dood wel verdiend.
Moord of genade,
het blijkt discutabel,
het ligt soms dicht bij elkaar.
Het is justitiabel,
zelfs als je het vastlegt,
is het niet altijd pasklaar.

©Hans Cieremans

 

 

Onvoorwaardelijke liefde

Niets is sterker dan de liefde,
maar ze is ook kwetsbaar, broos.
Soms kent liefde ook haar grenzen,
maar is voor ons grenzeloos.
Soms duurt liefde maar heel even,
maar ze blijft voor ons altijd.
Onvoorwaardelijke liefde,
die bestaat in eeuwigheid.

Dat geldt ook voor onze liefde
al leef jij in dichte mist
en is alles nu heel anders,
liefde wordt nooit uitgewist.
Onze liefde is gebleven,
ook al ben ik hier, jij daar.
Zelfs de dood zal niet beletten,
dat wij houden van elkaar.
.
Onze liefde is geduldig
stemt tot grote dankbaarheid.
Niets is sterker dan de liefde
liefde, die ons nimmer scheidt.
Liefde kun je niet begraven,
niet cremeren, niet verslaan.
Onvoorwaardelijke liefde
blijft in eeuwigheid bestaan.

 ©Hans Cieremans