Pubers

Overal gaan haren groeien,
ouders die zich steeds bemoeien.
Wat die zeggen: ‘Lekker boeien’.
Dromen van hun popidool.
Pukkeltjes en wat onhandig,
regelmatig flink opstandig,
soms brutaal, ja zelfs losbandig,
naar de middelbare school.

De hormonen hoor je gieren,
feestjes die ze samen vieren
en elkaar gaan ze ‘versieren’,
stiekem roken, wat niet mag.
Lopen ouders uit te dagen.
‘Ik mag niks’ hoor je ze klagen
en voortdurend aandacht vragen,
met hun puberaal gedrag.

Bij de ‘peergroep’ willen horen
en zich aan hun ouders storen,
voelen zich heel vaak verloren.
‘Waarom houdt niemand van mij?’
Geen servet, geen tafellaken,
om een scheet soms ruzie maken.
Regelen hun eigen zaken,
dat hoort allemaal er bij.

Heel veel dingen zijn omslachtig,
regeltjes zijn kinderachtig.
‘Da’s voor ouderen van tachtig’
en het laat ze, lijkt wel koud
Hangen op hun eigen plekken,
niks van ouders aan gaan trekken.
Pa en ma, toch is het gekke,
dat je van je pubers houdt

© Hans Cieremans

Het huisje van mijn oma

Klik op de zwarte balk, dan hoor je onderstaande tekst op de muziek van cabaretgroep ‘De Eigen Bijdrage’, waar ik vele jaren deel van uitmaakte.
Ik zing het samen met de veel te jong overleden Ariëtte.
Het huisje van mij oma is (of beter: was) het huisje rechts boven het café en recht boven de fietsenzaak

Soms denk ik aan mijn oma,
hoe het vroeger was.
Ik was net zeven jaren,
‘k zat in de tweede klas.
‘k Ging elke woensdagmiddag
bij oma op bezoek,
dan kreeg ik limonade,
en een gevulde koek.
Ze woonde in een huisje
ginds aan de Hofdijk.
Dat huisje ligt al jaren
met de grond gelijk.
Er staan nu nieuwe huizen
heel modern en chique.
Je houdt zoiets niet tegen,
maar ‘t maakt melancholiek.

Het huisje van mijn oma,
je sliep in een alkoof,
een ouderwetse potkachel,
je voeten op een stoof.
Bij oma was ‘t gezellig,
ik zat bij haar op schoot
en ik geloofde stellig:
‘Mijn oma gaat nooit dood’.

Ze zat bij een spionnetje
en tuurde door het raam.
Het was weer woensdagmiddag
en dan kwam ik er aan.
Ik ging dan met lijn veertien,
die stopte voor de deur.
Zo’n tram met een balkonnetje
en een conducteur.
Oma stond te zwaaien
en ik trok aan de bel.
Oma deed de deur open,
ik rook het oliestel.
Daar stoofde ze de peertjes op,
die ze ‘s avonds at
en zei ze: Luister, kom eens hier,
ik heb voor jou nog  wat.

Het huisje van mijn oma,
ze sliep in een alkoof,
een ouderwetse potkachel,
haar voeten op een stoof.
Bij oma was ‘t gezellig,
ik zat bij haar op schoot
en ik geloofde stellig:
‘Mijn oma gaat nooit dood’.

Dan kreeg ik iets te snoepen
uit die oude kast.
Het waren boterbabbelaars
en ik was enthousiast.
Dan mocht ik kolen scheppen,
dat was leuk om dat te doen.
En dan ging oma voorlezen
uit Saskia en Jeroen.
Soms denk ik aan mijn oma,
wat gaat de tijd toch vlug.
‘t Is als de dag van gisteren,
maar zoveel jaren terug.
Mijn moeder is nu oma,
ze geeft de kind’ren wat.
Het zijn geen boterbabbelaars,
maar cola met patat.

Het huisje van mijn oma,
je sliep in een alkoof,
een ouderwetse potkachel,
je voeten op een stoof.
Bij oma was ‘t gezellig,
ik zat bij haar op schoot.
Ik moet er soms aan denken,
ze is al jaren dood.

© Hans Cieremans

Het groene bankje

Op een groen bankje,
dat staat op het kerkplein,
zat vaak een stokoude man.
Hij keek naar de mensen,
die daar aan het werk zijn,
ze kenden hem wel ‘ome Jan’.
Hij leunde zijn armen
op zijn rollator.
Hij zou nog graag mee willen doen.
Maar dat kon niet meer,
daar was hij te oud voor.
Hij was al heel lang met pensioen.

Hij woond’ in een huisje
en was nog zelfstandig,
zijn vrouw was al jarenlang dood.
Hij redde zich wel,
want hij was best handig
en buurtjes die hielpen bij nood.
En op dat bankje,
daar had hij veel aanspraak,
hij was dan ook graag aan het woord.
En al zijn praatjes,
die gingen meestal dan
over zijn club ‘Feijenoord’.

Maar op een dag
bleef het bankje verlaten,
het stond onbezet op het plein.
Dat was heel vreemd,
je zag mensen praten
‘Waar zou oom Jan nu toch zijn?’
Toen zijn er een paar
naar zijn huisje gelopen
en belden ongerust aan.
De deur die bleef dicht,
ome Jan deed niet open,
hij was naar de hemel gegaan.

Feijenoord verloor
een trouwe supporter,
het eindsignaal klonk voor oom Jan.
Ach, zijn verlenging,
die duurder wat korter,
dan dat had gepast in zijn plan.
Als eerbetoon
schreef men op een mooi plankje
‘Voor Feijenoord voor altijd held.
Dit was voor oom Jan
het reservebankje,
hij staat nu voorgoed opgesteld.’

© Hans Cieremans

 

Pappa worden en zijn: Het valt niet mee

Als een kindje wordt geboren
staat de pappa aan de kant.
Hij kan mamma’s puffen horen
en hij pakt bezorgd haar hand.
Pappa is erg zenuwachtig
plots dan komt het kind er uit.
Pappa roept: ‘Kijk eens wat prachtig,
daar is onze kleine spruit.’

En dan is het kind geboren.
Mamma krijgt ontbijt op bed.
En dan weet je van te voren:
‘Het is uit met pappa’s pret’.
Flesjes maken, billen wassen
ook het huis is heel erg vuil.
En het kind zal hem verrassen
met veel nachtelijk gehuil.

Pappa ziet zijn wallen groeien.
Straks komt kraamvisite aan.
Mamma ziet haar manlief knoeien,
maar ze laat hem maar begaan.
Daar komt de visite binnen,
vraagt: ‘Hoe is het met je vrouw
en het kind om te beginnen?’
Pappa, niemand vraagt naar jou.

Ma de lusten, pa de lasten,
Ja, dat is een pappa’s lot.
O, daar komen nieuwe gasten.
Pappa is zowat kapot.
‘Wat een schatje, wat een leuke,
mamma ziet er heel goed uit.
’Pa loopt sloffend naar de keuken
voor de muisjes en beschuit.

Maar als ‘t kindje is gaan slapen
en is de visite weg.
Dan loopt pappa flink te gapen.
Maar  hij is gelukkig, zeg.
Blij met het vervuld verlangen,
dat hij samen met zijn vrouw,
een lief kindje mocht ontvangen.
Pappa ‘t kind is ook voor jou!

Pappa gaat dan even zitten,
er is voetbal op tv.
Doodmoe zit hij dan te pitten.
Vader zijn, dat valt niet mee.
Na twee uur schrikt hij weer wakker,
zag geen bal, maar mamma roept:
‘Verschoon eens je kleintje makker,
‘t kind heeft in de broek gepoept’.

© Hans Cieremans

Quatorze juillet

Quatorze juillet,
dag van de vrijheid,
verbroederingsfeest,
symbool van gelijkheid.
Door dwazen verketterd,
gebroken, verpletterd.
Quatorze juillet,
le feu d’artifice
kleurde inktzwart,
je hart brak in Nice.
De boulevard
in vreugde ontstoken,
zag in een flits
zijn dromen gebroken.

Het ideaal, dat wint van de pijn,
op Boulevard des Calais.
Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn
de kracht van quatorze juillet.

Quatorze juillet
dag vol afgrijzen.
Word weer de dag,
van feest en herrijzen.
Dag van de vrijheid,
de wens van gelijkheid.
Ondanks het bloed
van zinloos geweld.
Jij bent de dag,
waar dankbaarheid geldt.
Quatorze juillet,
de doden die zwijgen.
Maar jouw ideaal
is nooit klein te krijgen.

Het ideaal, dat wint van de pijn
op Boulevard des Calais.
Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn
de kracht van quatorze juillet.

© Hans Cieremans

Mabel (12 augustus 2013)

Achter de besneeuwde bergen
vind je de herinnering,
waar een toekomstdroom verbleekte
in de sneeuw ten onder ging.
Smetteloze witte deken
brak de toekomst bikkelhard.
Zomaar in een paar seconden
werd sneeuwwit ineens gitzwart.

Voor geluk en toekomstdromen
leek geen enk ’le berg te hoog.
Liep je in sneeuwwitte trouwjurk
richting van de hemelboog.
Niet bewust van het gevaar
dat razend op ’t geluk neer stort,
waardoor dromen van een toekomst
tot een desillusie wordt.

Bergen hebben altijd dalen,
daar moet jij nu dwars doorheen.
Ook al lijkt het dal verlaten,
je loopt daar toch niet alleen.
Al is ‘dan’ een ‘toen’ geworden,
lijkt de wereld stil te staan.
Liefde doet de sneeuw weg smelten
en zal eeuwig voort bestaan.

© Hans Cieremans

Ons gedrag

Op een rijksweg in de berm
bloeien wilde cichorei,
klaprozen en akkerscherm
en raast snelverkeer voorbij.
Auto’s rijden meer dan honderd,
stoten uitlaatgassen uit.
Niemand die zich nog verwonderd
om het muskuskaasjeskruid.

Bah, een file wat een hinder,
oorzaak is vast autopech.
Maar wie ziet er nu die vlinder,
die daar fladdert bij de weg?
Was het nou een korenblauwtje
of een dagpauwoog misschien?
Geef die pechvogel een douwtje,
kunnen wij weer honderdtien.

Overtreed de snelheidsregels.
Hé, daar is iets aan de hand.
Weer die stomme kleine egels.
Ja, dat kost een lekke band.
En we schelden en we tieren
en we hebben geen geduld.
En de platgereden dieren
krijgen nu ook nog de schuld.

Band verwiss ‘len langs de rijksweg
naast het zwart geblakerd gras.
Irritant is dat bekijks zeg,
tijd inhalen, dus ‘plank gas’.
Weer een file, dat gedonder
en we schelden in ’t verkeer.
En het mooie scheppingswonder,
dat ziet bijna niemand meer.

Op een rijksweg in de berm
bloeien wilde cichorei,
klaprozen en akkerscherm
zingt een vogel, zoemt een bij.
Laten wij ons eens bezinnen
wat we met de schepping doen.
Gewoon bij ons zelf beginnen,
het is een kwestie van fatsoen.

© Hans Cieremans

De ad interim manager

Hij is succesvol manager
en heeft een prima job.
Hij werkt als een ‘ad interim’,
nu stijgt hij naar de top.
Ambities heeft hij ook genoeg,
zijn roem neemt grote vlucht.
Een voorbeeld van ‘ik ben het best’
en van gebakken lucht.

Hij laat bedrijven kantelen,
verandermanagement.
Zijn theorieën zijn perfect,
praktijk is niet bekend.
Hij snijdt, bezuinigt en ontslaat,
in zijn driedelig pak.
En geeft met hele rappe tong
het personeel de zak.

De zaak geeft hem een lease auto,
een dikke BMW.
Ver boven de ministersnorm
vult zich zijn port ‘monnee.
‘De neuzen moeten naar één kant’,
roept hij ‘wees eensgezind’.
De manager met zijn blabla
spreekt van ‘een frisse wind’.

En na een geruime tijd, jawel
loopt alles toch nog mis.
Alles is kapot gemaakt,
de wind blijkt niet zo fris.
‘Je kunt niet leven van de wind’,
een waarheid als een koe.
Maar managers’ gebakken lucht,
stinkt bovendien en hoe……..

© Hans Cieremans

Groot gelijk

Ieder heeft zijn eigen hokjes,
ieder heeft zijn ‘eigen kijk’,
waar we graag bevestigd worden
in ons eigen ‘groot gelijk’.
Ja, we horen wel de ander,
maar ze hebben het verkeerd,
want de waarheid zit in ‘t hokje
zoals wij hebben geleerd.

En zo vormen zich de balkjes
langzaam in ons eigen oog.
En we eisen ons gelijk op
in een gloedvol scherp betoog.
Want we willen overtuigen.
‘t ‘Groot gelijk’ aan onze kant.
Wat de anderen beweren
is de waarheid uit ‘t verband.

En de hokjesgeest wordt harder.
Maar we hebben het niet door,
dat de balkjes balken worden.
We hebben er geen ogen voor.
Zo willen we splinters halen
uit de oog van d’ anderman.
En de balk in d’ eigen ogen,
nou daar zien we zelf niks van.

Laten wij in eigen hokjes
weer eens voor de spiegel staan.
En als we dan heel goed kijken
zien we heel veel mis gegaan.
Kom eens uit de eigen hokjes
van ons zelf gemaakte rijk.
Dan verdwijnen onze balken
dan krijgen wij ‘groot gelijk’.

© Hans Cieremans

De hoorn van Afrika

Waar de Rode Zee zich uitmondt
in de Indisch’ Oceaan,
vechten mensen tegen droogte,
dreigt het noodlot toe te slaan.
Torenhoge voedselprijzen,
want de oogsten zijn mislukt.
Daardoor gaan veel Afrikanen
onder hongersnood gebukt.

Diarree en ondervoeding,
longontsteking, cholera,
kosten steeds meer mensenlevens
in de hoorn van Afrika.
Er is dringend hulp geboden,
hartverscheurend is ’t verdriet.
‘t Kost straks miljoenen doden,
want die regen komt maar niet.

Een gezin vlucht uit Baidoa,
waar een burgeroorlog woedt.
Het loopt uren door de hitte
uitgedroogd, zwaar ondervoed.
Maar ze vinden niets te eten,
er is ook geen onderdak.
Dit gezin uit ‘t ver Baidoa
is de dood nabij, zo zwak.

En terwijl wij tot God bidden:
‘Geef ons heden ‘t daaglijks brood’,
sterft een kindje uit Baidoa
door een wrede hongersnood.
Ik zou God wel willen smeken:
‘Ga die mensen niet voorbij.
Geef ze hoop en geef een teken.
Laat het reeg’nen, keer het tij’.

©Hans Cieremans