Mabel (12 augustus 2013)

Achter de besneeuwde bergen
vind je de herinnering,
waar een toekomstdroom verbleekte
in de sneeuw ten onder ging.
Smetteloze witte deken
brak de toekomst bikkelhard.
Zomaar in een paar seconden
werd sneeuwwit ineens gitzwart.

Voor geluk en toekomstdromen
leek geen enk ’le berg te hoog.
Liep je in sneeuwwitte trouwjurk
richting van de hemelboog.
Niet bewust van het gevaar
dat razend op ’t geluk neer stort,
waardoor dromen van een toekomst
tot een desillusie wordt.

Bergen hebben altijd dalen,
daar moet jij nu dwars doorheen.
Ook al lijkt het dal verlaten,
je loopt daar toch niet alleen.
Al is ‘dan’ een ‘toen’ geworden,
lijkt de wereld stil te staan.
Liefde doet de sneeuw weg smelten
en zal eeuwig voort bestaan.

© Hans Cieremans

Ons gedrag

Op een rijksweg in de berm
bloeien wilde cichorei,
klaprozen en akkerscherm
en raast snelverkeer voorbij.
Auto’s rijden meer dan honderd,
stoten uitlaatgassen uit.
Niemand die zich nog verwonderd
om het muskuskaasjeskruid.

Bah, een file wat een hinder,
oorzaak is vast autopech.
Maar wie ziet er nu die vlinder,
die daar fladdert bij de weg?
Was het nou een korenblauwtje
of een dagpauwoog misschien?
Geef die pechvogel een douwtje,
kunnen wij weer honderdtien.

Overtreed de snelheidsregels.
Hé, daar is iets aan de hand.
Weer die stomme kleine egels.
Ja, dat kost een lekke band.
En we schelden en we tieren
en we hebben geen geduld.
En de platgereden dieren
krijgen nu ook nog de schuld.

Band verwiss ‘len langs de rijksweg
naast het zwart geblakerd gras.
Irritant is dat bekijks zeg,
tijd inhalen, dus ‘plank gas’.
Weer een file, dat gedonder
en we schelden in ’t verkeer.
En het mooie scheppingswonder,
dat ziet bijna niemand meer.

Op een rijksweg in de berm
bloeien wilde cichorei,
klaprozen en akkerscherm
zingt een vogel, zoemt een bij.
Laten wij ons eens bezinnen
wat we met de schepping doen.
Gewoon bij ons zelf beginnen,
het is een kwestie van fatsoen.

© Hans Cieremans

De ad interim manager

Hij is succesvol manager
en heeft een prima job.
Hij werkt als een ‘ad interim’,
nu stijgt hij naar de top.
Ambities heeft hij ook genoeg,
zijn roem neemt grote vlucht.
Een voorbeeld van ‘ik ben het best’
en van gebakken lucht.

Hij laat bedrijven kantelen,
verandermanagement.
Zijn theorieën zijn perfect,
praktijk is niet bekend.
Hij snijdt, bezuinigt en ontslaat,
in zijn driedelig pak.
En geeft met hele rappe tong
het personeel de zak.

De zaak geeft hem een lease auto,
een dikke BMW.
Ver boven de ministersnorm
vult zich zijn port ‘monnee.
‘De neuzen moeten naar één kant’,
roept hij ‘wees eensgezind’.
De manager met zijn blabla
spreekt van ‘een frisse wind’.

En na een geruime tijd, jawel
loopt alles toch nog mis.
Alles is kapot gemaakt,
de wind blijkt niet zo fris.
‘Je kunt niet leven van de wind’,
een waarheid als een koe.
Maar managers’ gebakken lucht,
stinkt bovendien en hoe……..

© Hans Cieremans

Groot gelijk

Ieder heeft zijn eigen hokjes,
ieder heeft zijn ‘eigen kijk’,
waar we graag bevestigd worden
in ons eigen ‘groot gelijk’.
Ja, we horen wel de ander,
maar ze hebben het verkeerd,
want de waarheid zit in ‘t hokje
zoals wij hebben geleerd.

En zo vormen zich de balkjes
langzaam in ons eigen oog.
En we eisen ons gelijk op
in een gloedvol scherp betoog.
Want we willen overtuigen.
‘t ‘Groot gelijk’ aan onze kant.
Wat de anderen beweren
is de waarheid uit ‘t verband.

En de hokjesgeest wordt harder.
Maar we hebben het niet door,
dat de balkjes balken worden.
We hebben er geen ogen voor.
Zo willen we splinters halen
uit de oog van d’ anderman.
En de balk in d’ eigen ogen,
nou daar zien we zelf niks van.

Laten wij in eigen hokjes
weer eens voor de spiegel staan.
En als we dan heel goed kijken
zien we heel veel mis gegaan.
Kom eens uit de eigen hokjes
van ons zelf gemaakte rijk.
Dan verdwijnen onze balken
dan krijgen wij ‘groot gelijk’.

© Hans Cieremans

De hoorn van Afrika

Waar de Rode Zee zich uitmondt
in de Indisch’ Oceaan,
vechten mensen tegen droogte,
dreigt het noodlot toe te slaan.
Torenhoge voedselprijzen,
want de oogsten zijn mislukt.
Daardoor gaan veel Afrikanen
onder hongersnood gebukt.

Diarree en ondervoeding,
longontsteking, cholera,
kosten steeds meer mensenlevens
in de hoorn van Afrika.
Er is dringend hulp geboden,
hartverscheurend is ’t verdriet.
‘t Kost straks miljoenen doden,
want die regen komt maar niet.

Een gezin vlucht uit Baidoa,
waar een burgeroorlog woedt.
Het loopt uren door de hitte
uitgedroogd, zwaar ondervoed.
Maar ze vinden niets te eten,
er is ook geen onderdak.
Dit gezin uit ‘t ver Baidoa
is de dood nabij, zo zwak.

En terwijl wij tot God bidden:
‘Geef ons heden ‘t daaglijks brood’,
sterft een kindje uit Baidoa
door een wrede hongersnood.
Ik zou God wel willen smeken:
‘Ga die mensen niet voorbij.
Geef ze hoop en geef een teken.
Laat het reeg’nen, keer het tij’.

©Hans Cieremans

Waalsdorpervlakte

Een stoet trok voorbij
op de Waalsdorpervlakte
in een sereen defilé.
De lucht kleurde rood
en de avondzon zakte
achter de einder in zee.
De klok heeft geluid,
het Wilhelmus geklonken,
‘t herdenken is weer voorbij.
De stoet gaat naar huis
in gedachten verzonken.
Waalsdorpervlakte, 4 mei.

De nacht is gevallen
op de Waalsdorpervlakte.
De rust wordt niet meer verstoord.
De plek waar de vijand
eens mensen oppakte
die daar bruut toen bruut zijn vermoord.
Een krekel tjilpt nog
wat nacht’lijke akkoorden,
het is verder ijselijk stil.
De wind die steekt op
en komt uit het noorden,
Waalsdorpervlakte zo kil.

Waalsdorpervlakte
de ochtend gaat gloren.
Bevrijdingsdag staat voor de deur.
De dag waarop vrijheid
opnieuw is geboren
Waalsdorpervlakte in kleur.
Een bloemenzee
en de vlaggen die wapp’ren.
De meizon maakt mensen blij
De nacht is voorbij
dank zij dapperste dapp’ren,
Waalsdorpervlakte, weer vrij.

Waalsdorpervlakte,
waar wij in het heden
denken aan wat nooit meer mag.
Gebied dat we altijd
met eerbied betreden,
waar vrijheid het levenslicht zag.
Die plek werd door offers
de vrijheid verworven.
Het maakt ons dankbaar en blij.
God zorgt voor hen,
die voor ons zijn gestorven.
Waalsdorpervlakte, 5 mei.

© Hans Cieremans

Brussel

Een bloemenzee is de stille getuige
van terroristisch geweld.
De vrijheid ontplofte in duizenden duigen,
onschuldige levens geveld.
Stille tochten door straten en lanen,
gevoelens van onmacht en leed.
Woede en afschuw, verstikkende tranen.
Zinloos geweld is zo wreed.

Woorden van troost, kaarsen die branden,
tussen de bloemen gezet.
D’ emotie is heftig, gevouwen de handen,
Brussel is stil in gebed.
Hoor naar die stilte, de kracht van het zwijgen,
zie naar de traan van ’t verdriet.
De angst zal de vrijheid nooit klein kunnen krijgen.
Ook bommen vol haat lukt dat niet.

De rook verdwijnt, de doden vertellen,
dat alles anders zal zijn.
Maar de open wond, die straks gaat herstellen,
die krijgt ook Brussel niet klein.
Het litteken blijft, maar Brussel eendrachtig
krijgt op het leven weer vat.
Brussel herrijst, saamhorig, veerkrachtig.
Brussel de bruisende stad.

© Hans Cieremans

Zure regen

Heel hoog in de hemel dreef een wolk voorbij,
die wolk zo zwart en dreigend bevatt’ een onweersbui.
De bomen op de aarde die waren echt niet blij.
Want allen dachten: ‘Zo’n zure, zo’n zure niets voor mij.’

De wolk die dreef verder tot boven aan de Rijn.
De vissen in het water die vonden dat niet fijn.
Want zou er in zo’n bui voldoende zuurstof zijn
om te blijven leven, te leven in de Rijn.

De wolk kon het niet houden, het werd hem veel te zwaar.
Boven bos en water ontlaadde hij zich daar.
De bomen en de vissen, die waren in gevaar.
En het werd erger, steeds erger jaar na jaar.

Alle vissen stikten in rivier en sloot.
Het water zonder zuurstof, maar wel met zuur en lood.
‘De kans op botulisme’ schreef de krant ‘is groot’.
Toen gingen ook de vogels, de vogels gingen dood.

De mensen spraken binnen, turend door het raam:
‘Kijk eens hoe het regent, ik laat de fiets maar staan.
Dus om droog te blijven maar met de auto gaan.
We gooien er benzine, benzine tegenaan.’

De fabrieken zaten met hun P.C.B.,
ontstaan uit dioxiet en stortten het in zee.
Vuil water dat verdampte dat nam de wolk mee.
‘t Kwam als zure regen, de regen naar benee.

Na onze generatie geen vogels en geen vis.
Nergens zie je bomen met blaadjes groen en fris.
En de mensen vragen: ‘Wat ging er nou toch mis?
Als er tenminste, tenminste …………nog iemand is.

© Hans Cieremans

 

De eerste dag

Voor de eerste keer ga je naar de peuterzaal.
Er is een vreemde juffrouw, vreemde kind’ ren allemaal
En je moet een beetje huilen, maar dat is heel normaal,
op zo’n eerste dag.

Kind’ en spelen op de grond en je duim gaat in je mond.
En een kindje vraagt aan jou: ‘Speel je mee met mijn gebouw’,
hier vandaag.

Moeder laat je los en ze zegt: ‘Ik moet nu gaan’.
Ze moet een paar keer slikken en ze zwaait bij het raam.
Dan loopt ze langzaam verder, zou ze liever blijven staan,
op zo’n eerste dag.

En je duim blijft in je mond, naar jou kijkt een pluche hond.
Vragend staart dat beest naar jou, of je met hem spelen wou,
hier vandaag.

Juffrouw neemt je mee, leid je naar de poppenhoek.
En je blijft maar huilen, juffrouw pakt een voorleesboek.
Dan moet je ook nog plassen en dat doe je in je broek,
op zo’n eerste dag.

Met je duim steeds in je mond, thuis dan krijg je op je kont.
Maar de juffrouw zegt tot jou: ‘Kom maar dan verschoon ik je gauw’,
hier vandaag.

Ben je dan getroost, is de ochtend weer voorbij.
Mamma komt je halen en je kijkt nu weer blij.
En dan zegt de juffrouw: ‘Wat een reuze-kind ben jij’,
op zo’n eerste dag.

En je duim gaat uit je mond en dan lach je weer terstond
En je moeder vraagt aan jou: ‘Hoe vond je ‘t nou?’
‘Leuk mam’

© Hans Cieremans

Kleinkind

Heel de wereld mag het horen:
Nu al houden wij van jou.
Dat, al ben je net geboren,
wij zo trots zijn als een pauw.
Onze lach en vreugdetranen,
tekens van intens geluk.
In ons hart staan reeds jouw namen,
onze band kan nooit meer stuk.

Jij bent welkom op de wereld,
kleine, grote bron van vreugd.
‘t Leven gaat voor jou beginnen
en geeft ons een tweede jeugd.
Bij plezier lachen we samen
en we troosten je bij pijn.
En we hopen nog veel jaren
er voor jou te mogen zijn.

Straks dan ga je ons herkennen,
en als jij ons smelten laat,
gaan we jou soms ook verwennen,
zelfs al wordt je moeder kwaad.
Want als jij ons hart blijft breken
met je onschuld, met je lach,
dan moet mamma maar beseffen,
dat verwennen soms wel mag.

Ben jij ons door God gegeven?
Is jouw leven in Zijn hand?
Hoe dan ook jouw jonge leven
gaat ver boven ons verstand.
Een groot wonder niet te vatten
een mysterie wonderschoon.
Een bevestiging van liefde
van een dochter en een zoon.

Wij zijn dankbaar met jouw leven,
dat wij opa, oma zijn.
Als wij onze liefde geven
schenk jij ons jouw zonneschijn.
Ja, de wereld mag het horen:
Nu al houden wij van jou.
Dat, al ben je net geboren,
wij zo trots zijn als een pauw.

© Hans Cieremans