In de wereld van het ‘haasten’

In de wereld van het ‘haasten’
zijn agenda’s goed gevuld.
Daar gelden alleen prestaties,
wordt geen tegenspraak geduld.
Stappen mensen in hun auto’s
en dan geven ze ‘plankgas’.
Harder, sneller, groter, beter
naar nog mooier, groener gras.

In de wereld van het ‘haasten’
wordt de aarde opgewarmd.
Worden mensen alsmaar rijker,
maar het leven dat verarmt.
Daar is ‘t bijna vijf voor twaalf,
toch zijn mensen ziende blind.
Het staat niet in hun agenda’s
dat de echte tijd flink dringt.

In de wereld van het ‘haasten’
draait het om het ‘eigen ik’.
Maakt men zich om luxe zaken,
geld en aanzien reuze dik.
En het gras wordt juist niet groener,
maar van dioxide zwart.
Het ligt altijd aan de ander,
in een wereld zonder hart.

In de wereld van het ‘haasten’
is voor ‘anders zijn’ geen plek
Ieder dopt zijn eigen boontjes
wie dat niet doet, die is gek.
Wat de anderen mankeren,
dat is wat geen mens daar boeit.
Tot ze zelf het lootje leggen
en het gras zelfs niet meer groeit.

In de wereld van het ‘haasten’
zie ik tot mijn eigen schrik
in de spiegel van die wereld
niet die ander. Daar sta ik.

© Hans Cieremans

Vrije meningsuiting

Er is vrije meningsuiting
in ons democratisch land
Dus geloof, ras of geaardheid,
geen probleem, niets aan de hand.
Maar als je voor Zwarte Piet bent
of je helpt een vluchteling,
moet je door detectiepoortjes
of er moet een piemel in.

En je mag van alles roepen
als je niet discrimineert.
‘Minder, minder Marokkanen’,
dat valt daarom dus verkeerd.
En de voor- en tegenstanders
rollebollen over straat.
Is dat vrije meningsuiting
in een tolerante staat?

Iedereen die heeft een mening
je bent goed of crimineel.
Mensen gaan dan demonstreren,
meestal met een vooroordeel.
En de tegendemonstraties
zijn de basis voor geweld
Mensen schelden, slaan en schoppen
omdat vrije mening telt.

Er is vrije meningsuiting
in ons democratisch land
Dus geloof, ras of geaardheid,
geen probleem, niets aan de hand.
Maar waar is ‘t besef gebleven,
van moraal en van fatsoen?
Vrije meningsuiting slaagt pas,
door het met respect te doen.

© Hans Cieremans

Sneeuwwitte duif

Sneeuwwitte duif,
symbool van de vrede.
Breng je olijftak
naar waar wordt gestreden.
Ga mensen bevrijden
van wreed zinloos lijden.
Smelt daar hun wapens
om tot een ploeg
als teken van hopen,
genoeg is genoeg.
Opdat het geweld
voorgoed wordt verdreven.
En mensen in vrijheid
en vrede gaan leven.

Sneeuwwitte duif
symbool van de liefde.
Breng je olijftak
naar mensen die griefden.
Verlos hen die haten,
die niet willen praten.
Breng daar de boodschap,
dat haat nergens wint.
Dat haat zal verdwijnen,
waar liefde begint.
Breng je olijftak
als vreugdevol teken,
opdat alle haat
voorgoed is geweken

Sneeuwwitte duif
breng liefde en vrede
Daar waar zo zinloos
en wreed wordt geleden.
Breek harten open,
biedt kansen op hopen.
Laat mensen zien
dat kruitdamp verdwijnt,
dat achter die dampen
de zon eeuwig schijnt.
Sneeuwwitte duif
dan bloeien olijven
aan jouw tak van vrede,
die eeuwig zal blijven.

©Hans Cieremans

Moeder Theresa

Zieken, thuislozen, bedelaars, lijken,
de zon brandt zinderend heet.
Ondraaglijke stank in de sloppenwijken,
niet te verteren groot leed.
Bedelaars die om aalmoezen vragen,
mensen die sterven op straat.
Beelden als dit zijn kan geen mens toch verdragen,
toch weten wij dat het bestaat.

Calcutta een stad zoals boven beschreven,
waar moeder Theresa begon,
te strijden tegen ‘t onmenselijke leven,
vanuit haar roeping als non.
Zij voelde haar taak door God opgedragen,,
was tot haar dood non Actief.
Zij zorgde voor mensen, zonder te klagen,
zij had al de zwakkeren lief.

In haar witte sari, ging zij langs barakken,
vol met besmettingsgevaar.
Moeder Theresa liet nooit de moed zakken,
Zij voelde : ‘De Heer was met haar.’
Vol naastenliefde deed zij haar licht stralen,
bestreed zij ziekte en dood.
‘t Zat niet altijd mee, want daar in Bengalen
ontstond ook nog eens hongersnood.

Zij was barmhartig, onwrikbaar, bijzonder,
een kleine vrouw, maar zo groot.
Dienstbaar, hulpvaardig, geloof in het wonder,
redde veel mensen in nood.
Verdiende ook de Nobelprijs voor vrede,
was levende engel op aard.
Moeder Theresa, herdacht in gebeden,
de paus heeft haar heilig verklaard.

© Hans Cieremans

Pubers

Overal gaan haren groeien,
ouders die zich steeds bemoeien.
Wat die zeggen: ‘Lekker boeien’.
Dromen van hun popidool.
Pukkeltjes en wat onhandig,
regelmatig flink opstandig,
soms brutaal, ja zelfs losbandig,
naar de middelbare school.

De hormonen hoor je gieren,
feestjes die ze samen vieren
en elkaar gaan ze ‘versieren’,
stiekem roken, wat niet mag.
Lopen ouders uit te dagen.
‘Ik mag niks’ hoor je ze klagen
en voortdurend aandacht vragen,
met hun puberaal gedrag.

Bij de ‘peergroep’ willen horen
en zich aan hun ouders storen,
voelen zich heel vaak verloren.
‘Waarom houdt niemand van mij?’
Geen servet, geen tafellaken,
om een scheet soms ruzie maken.
Regelen hun eigen zaken,
dat hoort allemaal er bij.

Heel veel dingen zijn omslachtig,
regeltjes zijn kinderachtig.
‘Da’s voor ouderen van tachtig’
en het laat ze, lijkt wel koud
Hangen op hun eigen plekken,
niks van ouders aan gaan trekken.
Pa en ma, toch is het gekke,
dat je van je pubers houdt

© Hans Cieremans

Het huisje van mijn oma

Klik op de zwarte balk, dan hoor je onderstaande tekst op de muziek van cabaretgroep ‘De Eigen Bijdrage’, waar ik vele jaren deel van uitmaakte.
Ik zing het samen met de veel te jong overleden Ariëtte.
Het huisje van mij oma is (of beter: was) het huisje rechts boven het café en recht boven de fietsenzaak

Soms denk ik aan mijn oma,
hoe het vroeger was.
Ik was net zeven jaren,
‘k zat in de tweede klas.
‘k Ging elke woensdagmiddag
bij oma op bezoek,
dan kreeg ik limonade,
en een gevulde koek.
Ze woonde in een huisje
ginds aan de Hofdijk.
Dat huisje ligt al jaren
met de grond gelijk.
Er staan nu nieuwe huizen
heel modern en chique.
Je houdt zoiets niet tegen,
maar ‘t maakt melancholiek.

Het huisje van mijn oma,
je sliep in een alkoof,
een ouderwetse potkachel,
je voeten op een stoof.
Bij oma was ‘t gezellig,
ik zat bij haar op schoot
en ik geloofde stellig:
‘Mijn oma gaat nooit dood’.

Ze zat bij een spionnetje
en tuurde door het raam.
Het was weer woensdagmiddag
en dan kwam ik er aan.
Ik ging dan met lijn veertien,
die stopte voor de deur.
Zo’n tram met een balkonnetje
en een conducteur.
Oma stond te zwaaien
en ik trok aan de bel.
Oma deed de deur open,
ik rook het oliestel.
Daar stoofde ze de peertjes op,
die ze ‘s avonds at
en zei ze: Luister, kom eens hier,
ik heb voor jou nog  wat.

Het huisje van mijn oma,
ze sliep in een alkoof,
een ouderwetse potkachel,
haar voeten op een stoof.
Bij oma was ‘t gezellig,
ik zat bij haar op schoot
en ik geloofde stellig:
‘Mijn oma gaat nooit dood’.

Dan kreeg ik iets te snoepen
uit die oude kast.
Het waren boterbabbelaars
en ik was enthousiast.
Dan mocht ik kolen scheppen,
dat was leuk om dat te doen.
En dan ging oma voorlezen
uit Saskia en Jeroen.
Soms denk ik aan mijn oma,
wat gaat de tijd toch vlug.
‘t Is als de dag van gisteren,
maar zoveel jaren terug.
Mijn moeder is nu oma,
ze geeft de kind’ren wat.
Het zijn geen boterbabbelaars,
maar cola met patat.

Het huisje van mijn oma,
je sliep in een alkoof,
een ouderwetse potkachel,
je voeten op een stoof.
Bij oma was ‘t gezellig,
ik zat bij haar op schoot.
Ik moet er soms aan denken,
ze is al jaren dood.

© Hans Cieremans

Het groene bankje

Op een groen bankje,
dat staat op het kerkplein,
zat vaak een stokoude man.
Hij keek naar de mensen,
die daar aan het werk zijn,
ze kenden hem wel ‘ome Jan’.
Hij leunde zijn armen
op zijn rollator.
Hij zou nog graag mee willen doen.
Maar dat kon niet meer,
daar was hij te oud voor.
Hij was al heel lang met pensioen.

Hij woond’ in een huisje
en was nog zelfstandig,
zijn vrouw was al jarenlang dood.
Hij redde zich wel,
want hij was best handig
en buurtjes die hielpen bij nood.
En op dat bankje,
daar had hij veel aanspraak,
hij was dan ook graag aan het woord.
En al zijn praatjes,
die gingen meestal dan
over zijn club ‘Feijenoord’.

Maar op een dag
bleef het bankje verlaten,
het stond onbezet op het plein.
Dat was heel vreemd,
je zag mensen praten
‘Waar zou oom Jan nu toch zijn?’
Toen zijn er een paar
naar zijn huisje gelopen
en belden ongerust aan.
De deur die bleef dicht,
ome Jan deed niet open,
hij was naar de hemel gegaan.

Feijenoord verloor
een trouwe supporter,
het eindsignaal klonk voor oom Jan.
Ach, zijn verlenging,
die duurder wat korter,
dan dat had gepast in zijn plan.
Als eerbetoon
schreef men op een mooi plankje
‘Voor Feijenoord voor altijd held.
Dit was voor oom Jan
het reservebankje,
hij staat nu voorgoed opgesteld.’

© Hans Cieremans

 

Pappa worden en zijn: Het valt niet mee

Als een kindje wordt geboren
staat de pappa aan de kant.
Hij kan mamma’s puffen horen
en hij pakt bezorgd haar hand.
Pappa is erg zenuwachtig
plots dan komt het kind er uit.
Pappa roept: ‘Kijk eens wat prachtig,
daar is onze kleine spruit.’

En dan is het kind geboren.
Mamma krijgt ontbijt op bed.
En dan weet je van te voren:
‘Het is uit met pappa’s pret’.
Flesjes maken, billen wassen
ook het huis is heel erg vuil.
En het kind zal hem verrassen
met veel nachtelijk gehuil.

Pappa ziet zijn wallen groeien.
Straks komt kraamvisite aan.
Mamma ziet haar manlief knoeien,
maar ze laat hem maar begaan.
Daar komt de visite binnen,
vraagt: ‘Hoe is het met je vrouw
en het kind om te beginnen?’
Pappa, niemand vraagt naar jou.

Ma de lusten, pa de lasten,
Ja, dat is een pappa’s lot.
O, daar komen nieuwe gasten.
Pappa is zowat kapot.
‘Wat een schatje, wat een leuke,
mamma ziet er heel goed uit.
’Pa loop sloffend naar de keuken
voor de muisjes en beschuit.

Maar als ‘t kindje is gaan slapen
en is de visite weg.
Dan loopt pappa flink te gapen.
Maar  hij is gelukkig, zeg.
Blij met het vervuld verlangen,
dat hij samen met zijn vrouw,
een lief kindje mocht ontvangen.
Pappa ‘t kind is ook voor jou!

Pappa gaat dan even zitten,
er is voetbal op tv.
Doodmoe zit hij dan te pitten.
Vader zijn, dat valt niet mee.
Na twee uur schrikt hij weer wakker,
zag geen bal, maar mamma roept:
‘Verschoon eens je kleintje makker,
‘t kind heeft in de broek gepoept’.

© Hans Cieremans

Quatorze juillet

Quatorze juillet,
dag van de vrijheid,
verbroederingsfeest,
symbool van gelijkheid.
Door dwazen verketterd,
gebroken, verpletterd.
Quatorze juillet,
le feu d’artifice
kleurde inktzwart,
je hart brak in Nice.
De boulevard
in vreugde ontstoken,
zag in een flits
zijn dromen gebroken.

Het ideaal, dat wint van de pijn,
op Boulevard des Calais.
Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn
de kracht van quatorze juillet.

Quatorze juillet
dag vol afgrijzen.
Word weer de dag,
van feest en herrijzen.
Dag van de vrijheid,
de wens van gelijkheid.
Ondanks het bloed
van zinloos geweld.
Jij bent de dag,
waar dankbaarheid geldt.
Quatorze juillet,
de doden die zwijgen.
Maar jouw ideaal
is nooit klein te krijgen.

Het ideaal, dat wint van de pijn
op Boulevard des Calais.
Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn
de kracht van quatorze juillet.

© Hans Cieremans

Mabel (12 augustus 2013)

Achter de besneeuwde bergen
vind je de herinnering,
waar een toekomstdroom verbleekte
in de sneeuw ten onder ging.
Smetteloze witte deken
brak de toekomst bikkelhard.
Zomaar in een paar seconden
werd sneeuwwit ineens gitzwart.

Voor geluk en toekomstdromen
leek geen enk ’le berg te hoog.
Liep je in sneeuwwitte trouwjurk
richting van de hemelboog.
Niet bewust van het gevaar
dat razend op ’t geluk neer stort,
waardoor dromen van een toekomst
tot een desillusie wordt.

Bergen hebben altijd dalen,
daar moet jij nu dwars doorheen.
Ook al lijkt het dal verlaten,
je loopt daar toch niet alleen.
Al is ‘dan’ een ‘toen’ geworden,
lijkt de wereld stil te staan.
Liefde doet de sneeuw weg smelten
en zal eeuwig voort bestaan.

© Hans Cieremans