Open vraag

Zal er echt een hemel wezen,
waar je heen gaat na je dood?
Is er ook een hel te vrezen
of acht je die kans niet groot?
Of zeg jij: ‘Wat is dit onzin,
na de dood is er echt niets’.
Of ben je vervuld met twijfel:
‘Ja, ik denk, er is wel iets’.

Niemand kan het ons vertellen,
’t is een kwestie van geloof.
Voer voor dominees of priesters,
humanist of filosoof.
Maar ook zij weten niets zeker,
wat er ook wordt toegejuicht.
Deze vraag blijft eeuwig open
zelfs al zijn ze overtuigd.

Mensen zoeken naar een houvast,
in de Bijbel of Koran,
boeken van reïncarnatie,
in een ander aards bestaan.
Hoe wij mensen dan ook denken,
’t is blijft een groot geheimenis.
Maar wat we wel zeker weten
dat ’t leven een groot wonder is.

© Hans Cieremans

‘Vreugde’ en ‘Verdriet’

‘Waarom laat jij mensen lijden?
‘vroeg de ‘Vreugde’ aan ‘Verdriet’.
‘Waarom wil je mensen pijn doen?
Mensen zien je liever niet’.
‘Weet je’ zei ‘Verdriet’ verdrietig
‘’k Trek me jouw kritiek wel aan,
maar als ik er niet zou wezen,
dan zou jij ook niet bestaan.

En de mensen pijn doen,
dat doe ik echt niet expres.
Dat hoort bij mij en voor mensen
ben ik een wijze levensles’.
Het ‘Verdriet’ moest toen hard huilen,
‘Vreugde’ wist niet wat hij zag,
‘Ach, ‘Verdriet’ ik kan je helpen,
kijk naar mij en zie mijn lach’.

‘Vreugde’ kon ‘Verdriet’ goed troosten
en zei: ‘Wat je zegt is waar,
samen hebben wij bestaansrecht
en we horen bij elkaar’.
Bij ‘Verdriet’ kwam toen een glimlach
dwars door al zijn tranen heen.
Hij zei: ‘Vreugd ik heb je nodig,
want ik kan het niet alleen’.

Ze zijn met elkaar verbonden,
door en lach of door een traan.
Geven mensen levenslessen,
die geen mens ooit kan ontgaan.
Tranen worden ‘Vreugdetranen’
als je ze de ruimte geeft.
Komen samen in herinn’ring,
die bij ‘Verdriet’ en ‘Vreugde’ leeft.

© Hans Cieremans

de glimlach en de traan

Achter de glimlach van herinneringen,
schuilt vaak een heel groot verdriet.
Tranen wil je voortdurend verdringen,
je wilt liefst dat niemand het ziet.
Maar naast de tranen is glimlach aanwezig,
die maakt je herinnering fijn.
Wat ooit geluk schonk, dat houdt je dan bezig,
de glimlach verzacht ook je pijn.

Achter de glimlach van herinneringen,
schuilt vaak een heel lang verhaal.
Daarbij is de glimlach niet te bedwingen,
die glimlach is meer dan normaal.
Je denkt aan de vreugde, die jou werd gegeven,
de glimlach wint dan van de traan.
Dat was om al het moois in je leven,
dat moois blijft voor altijd bestaan.

Achter de glimlach van herinneringen
schuilt vaak een heel leven lang.
Mensen die kwamen en mensen die gingen,
zo gaat het leven zijn gang.
De traan en de glimlach zijn altijd verweven,
de glimlach bestaat naast de traan.
Beiden behoren zij in ieders leven,
het hoort bij ons aller bestaan.

© Hans Cieremans

Ons grote ‘eigen gelijk’

Iedereen heeft eigen hokjes,
daarin zit zijn ‘eigen kijk’,
en we worden graag bevestigd
in ons eigen ‘groot gelijk’.
Ja, we horen wel de ander,
maar we luisteren heel slecht,
want de waarheid zit in ‘t hokje
zoals ‘ik’ het heb gezegd

En zo vormen zich de balkjes
langzaam in ons eigen oog.
En we eisen ons gelijk op
in een gloedvol scherp betoog.
Want we willen overtuigen.
‘t ‘Groot gelijk’ aan onze kant.
Wat de anderen beweren
is de waarheid uit verband.

Onze hokjesgeest wordt harder,
maar we hebben het niet door,
dat de balkjes balken worden.
Daar hebben we geen ogen voor.
Wel willen we splinters halen
uit de oog van d’ anderman.
En de balk in eigen ogen,
nou daar zien we zelf niks van.

Maar ga eens met eigen hokjes
zomaar voor een spiegel staan.
En probeer oprecht te kijken
zie je wat is misgegaan?
Stap eens uit die eigen hokjes
het geeft je een ‘frisse kijk’.
Dan zal je tot verrassing merken:
‘Een ander heeft soms ook gelijk’.

© Hans Cieremans

 

troosten

Duizend woorden zijn te weinig,
maar één woord is al teveel,
om gevoelens uit te drukken,
die ik zo graag met je deel.
Woorden die ik uit wil spreken,
schieten hier en nu tekort.
En ik zou ook echt niet weten
of het daardoor beter wordt.

Daarom kan ik beter zwijgen,
sla mijn arm maar om je heen.
Delen we de tranen samen,
ook al voelt dat ook ‘alleen’.
‘k Zou je zo graag willen troosten,
bij je angst, verdriet en pijn.
Jij moet deze weg alleen gaan,
‘k kan er enkel voor je zijn.

‘k Zie de wanhoop in je ogen
‘k zie je hulpeloze blik.
‘k Droog de tranen in je ogen
als je mij vraagt: ‘Waarom ik?’
Maar het antwoord blijf ik schuldig,
vraag me af: ‘Is er een God?’
Maar dat voedt alleen mijn twijfel,
’t blijft de speling van het lot.

Als je ’t lot eens kunt aanvaarden,
kan het ook ‘bevrijding’ zijn.
Vrij van angsten en van tranen
en van uitzichtloze pijn.
Geef mij jouw herinneringen,
ik bewaar ze heel apart,
zonder woorden, vol met liefde
zijn wij ‘samen’ in mijn hart.

© Hans Cieremans

ongeneeslijk, maar wel behandelbaar

De dokter zei mij: ‘Het is ongeneeslijk,
behandelen kan ik nog wel.
Ik zie dat u schrikt, het klinkt ook wel vreeslijk,
er is geen kans op herstel.
Maar met mijn behandeling kunt u ook leven,
al moet dat dan wel aangepast.
Zo kan ik u, hoop ik, wat extra tijd geven
Kop op hoor, dan lukt het u vast’.

Ik stond weer buiten, de boodschap kwam binnen,
dit had ik niet zomaar verwerkt.
Uiteindelijk zal ik de strijd niet gaan winnen,
het leven is voortaan beperkt.
Psychische en ook fysieke problemen,
bijwerkingen zijn er volop.
Zo wordt mijn leven, zo moet ik het nemen
dus ’t is niet zo gek dat ik tob

Opgeven dat is echter geen optie
het leven biedt nog kwaliteit.
Hoewel ik tegen het ziek-zijn flink opzie,
wil ik wat ik liefheb niet kwijt.
Ik ga het gevecht aan, met pieken en dalen,
omdat ik niet zomaar opgeef.
Ik wil nog van alles uit ’t leven gaan halen,
om dankbaar te zeggen: ‘IK  LEEF’

©Hans Cieremans

gedicht Rotterdam voor de toerist

Als je lekker wil gaan nassen,
komt gezellig naar nul tien.
Laat je maar eens goed verrassen,
in de ballentent misschien.
Hiero, bijna in het centrum,
zijn de ballen altijd vers.
En je zit vlak bij de havens.
Rotterdam, dat is pas gers.

Want je loop zo naar de koopgoot
of misschien de Euromast.
Of gaat varen met de Spido,
als je lekker heb genast.
Drink aan boord een lekker pijppie,
als je vaart langs de Ahoy
Rotterdam, daar mot je wezen,
het is bloedverziekend mooi.

Blijf gewoon een poossie meuren,
op de SS Rotterdam.
En maak ook een mooie rondrit
in een Rotterdamse tram.
Pik ook effe een terrassie,
voor een lekker bakkie pleur.
‘r Is als kakken zonder douwen,
effe weg zijn uit de sleur.

Rotterdam dat is toch ech wel
onze aller gaafste stad.
Ja toch niet dan? Zeg nou zelluf
’t is gewoon een warrem bad
En voordat je af gaat taaien,
in je eigen bedje kruip.
Ga dan effe langs het mooiste,
da’s de Rotterdamse Kuip.

© Hans Cieremans

 

Psychisch lijden

Paranoia en narcisten,
drugsverslaafden en autisten,
bipolairen, masochisten
hebben geestelijk gebrek.
Schizofrenen met psychoses
hysterie en dwangneuroses,
die beladen diagnoses,
noemt men simpelweg vaak ‘gek’.

Hypochonders, kleptomanen
Borderliners, pyromanen,
smetfobieën, grootheidswanen
zijn ‘afwijkend, abnormaal’.
De dwangmatig obsessieven,
pathologisch agressieven
en de manisch depressieven,
ach, wie hoort naar hun verhaal?

De Alzheimers, necrofielen,
zwakbegaafden, randdebielen,
het zijn psychisch zieke zielen
met een lijden heel intens.
Al die geestelijk gestoorden
opgesloten in hun oorden,
ze  zijn soms te gek voor woorden,
maar zijn ook volwaardig mens.

© Hans Cieremans

Haat en Liefde

‘Haters’ kunnen enkel  ‘haten’,
en gebruiken slechts geweld.
En als zij het leven laten,
sterven ze als grote held.
Krijgen hemelse beloning,
‘t is hun hoofdprijs  van de ‘haat’
‘t Wordt gezien als de bekroning
van een echte heldendaad.

Zij gebruiken kindsoldaten,
die leren van kindsbeen af,
hoe je anderen moet ‘haten’
van de wieg tot aan het graf.
Als ze ooit een aanslag plegen,
heten ze ze geen moordenaar,
maar zij zijn voor hen die ‘haten’
een gevierde martelaar.

Maar de ‘haat’ zal het nooit winnen,
omdat ‘liefde’ ook bestaat.
‘Liefde’ gaat over beminnen,
wat veel sterker is dan ‘haat’.
Zouden ‘haters’ zich bekeren
al vanaf de moederschoot,
dan zal ‘haat’ hen ‘liefde’ leren
dat veel sterker is dan dood.

‘Liefde’ is nooit weg te vagen,
wint het altijd van het kwaad.
‘Liefde’ is nog nooit verslagen,
ook niet door de grootste ‘haat’.
‘Haters’ die alleen slechts ‘haten’,
kennen oorlog en geweld.
Maar zijn eenzaam, godverlaten,
zijn de ware antiheld.

© Hans Cieremans

 

Klein, onschuldig mensenkind

Klein, onschuldig mensenkind,
met je gezicht vol bloed,
je lijfje grijs van ‘bommen-stof’,
omdat er oorlog woedt.
Daar lig je zwaar gewond,
apathisch en ontheemd.
En alle mensen om je heen,
die ken je niet, zijn vreemd.

Klein, onschuldig mensenkind,
slachtoffertje van strijd.
Je bent je ouders en je jeugd
door de oorlog kwijt.
Je kent de vrede niet,
geen vrijheid, geen geluk.
Je kent geweld, haat, oorlogstuig
dat maakt je toekomst stuk.

Klein, onschuldig mensenkind,
wat ken je meer dan haat?
Zou er voor jou een leven zijn,
waar oorlog niet bestaat?
Het lijkt zo uitzichtloos,
‘haat’ geeft niks om een kind.
En die haat verliest alleen,
wanneer de liefde wint.

Ik leerde ooit van ‘t Mensenkind,
een Kind dat liefde bracht.
Het kwam met Kerst, bracht mensen hoop
heeft Hij aan jou  gedacht?
Veegt Hij de ‘bommen-stof’
en ’t bloed van jouw gezicht?
Of is dat ook weer valse hoop,
op liefde, vrede, licht?

Klein, onschuldig mensenkind,
ik zie pijn en verdriet
Ik twijfel zelfs aan ’t Mensenkind,
ik ken de waarheid niet.
Toch omarm ik Zijn verhaal,
het geeft me wat houvast.
Hoop dat er ooit een leven komt,
waar haat nooit meer in past.

Op de melodie van ‘Oh, little town of Bethlehem’

© Hans Cieremans