Als…………

Als de zon niet meer zal opgaan,
als de wind voor eeuwig zwijgt.
Als de adem en tijd stil staan,
als ‘waarom’ geen antwoord krijgt.
Als geloven is verschrompeld,
als je stilte niet meer hoort.
Als de leegte overrompelt,
dan leeft ‘liefde’ nog steeds voort.

Als de sterren niet meer stralen,
als licht hult in duisternis .
Als geen dal de top zal halen,
als een traan droogt in gemis.
Als emoties niet meer voelen,
als geluk wijkt voor de waan.
Als geloof en hoop bekoelen,
dan blijft ‘liefde’ toch bestaan.

Als rivieren niet meer stromen,
als de zee het strand verlaat.
Als het leven niet kan dromen,
als de toekomst niet bestaat.
Als ‘waarom’ alsmaar blijft knagen,
als je ‘niets’ en ‘ leegte’ vindt.
Zoek dan antwoord op de vragen
in de ‘liefde’ die steeds wint.

© Hans Cieremans

De demente vrouw

Ze zit verdrietig bij het raam,
ik vraag aan haar: ‘Wat scheelt er aan?’
Ze haalt haar schouders op en zwijgt.
Ik dring niet door tot haar verdriet.
Ze reageert ook bijna niet
op de aandacht die ze krijgt.
Ik sla mijn arm dan om haar heen,
vraag: ‘Voel je je alleen?’
Ik zie bij haar de tranen wellen,
zachtjes fluistert zij een naam.
Maar ik kan het niet verstaan,
wat wil zij nog meer vertellen?

 Zo leeft ze in haar eigen wereld,
waarin ze weinig meer herkent.
Een mens kan daar niets aan verand’ ren,
want mevrouw die is dement.

 Soms ga ik bij haar op bezoek,
bekijk met haar een fotoboek
met plaatjes uit een vroeger tijd.
Ineens pakt ze mijn hand en lacht.
‘k Had zo’n reactie niet verwacht,
ze zegt verstaanbaar: ‘Kleine meid’.
Ze wijst me dan een foto aan
waarop haar man en dochter staan,
op het strand van Scheveningen.
Ze geeft de foto dan een kus
en is zich kennelijk bewust
van die herinneringen.

 Zo leeft ze in haar eigen wereld,
waarin ze soms herkent.
Een mens kan zo haar pijn verlichten
al is mevrouw nog zo dement.

 En doe ik dan het album dicht
en kijk ik dan naar haar gezicht.
Zie ik haar ogen sluiten,
de hand laat los, ze ziet me niet.
Ze valt weer terug in haar verdriet,
het heden staat weer buiten.
Die vrouw verdrietig en dement
kon toch genieten van ’t moment.
Ik mocht het mee beleven.
Met wat aandacht en respect,
heb ik bij die vrouw ontdekt,
kon ik haar leven toch zin geven.

 Al leeft ze in haar eigen wereld,
u weet wat ik bedoel,
als ik zeg: ‘Demente mensen,
klein van geest, groot in gevoel’.

© Hans Cieremans

 

Henk en Ingrid en de anderen

Ingrid, Henk, Rob, Gijs, Martine
Jan, Piet, Klaas, Ria, Christine,
Anton, Fred, Nel, Jacqueline,
samen aan het kerstdiner.
Abdul, Bilal, Badra, Hayam
Fazid, Selma, Hisham, Hassan,
Kadir, Mukthar, Naja, Taram,
eenzaam in het AZC

Peter, Bas, Tom, Marianne
Ans, Babette, Joop, Suzanne,
Karin, Aad, Bep, Riet, Lisanne,
zingen; ‘Vrede daalde neer’
Fatimah, Mohammed, Hayat,
Ilham, Rabi, Aznar, Souad,
Badra, Rabih, Nasim, Rashad,
denken: ‘Mooi, maar zeg wanneer?’

Frans, Youssef, Marleen, Abida,
Omar, Barend, Dahab, Frieda,
Thijs, Wasim, Odette, Rihda,
denken niet in ‘wij’ en ‘zij’.
Kees, Aludra, Esther, Anbar
Udabah, Louise, Almar,
Banan, Gerrit, Wakil, Dagmar,
brengen vrede dichterbij.

©Hans Cieremans

De barmhartige Marokkaan

Ik was eenzaam en verlaten
en ik vroeg de dominee:
‘Wilt u met me komen praten?’
Maar hij zei: ‘Dat valt niet mee.
Kijk maar eens in mijn agenda.
Ik zit vol tot donderdag.
Donderdag dan kan ik pas ja.
‘k Schrijf dat op hoor, als dat mag?’

 Toen ben ik mijn vriend gaan bellen:
Of hij even voor mij had?
Maar voordat ik kon vertellen,
zei hij: ‘Stop, ik heb al wat.
Ik kijk nu in mijn agenda,
ik zit vol tot donderdag.
Donderdag dan kan ik pas ja.
‘k Schrijf dat op hoor, als dat mag?’

 Een collega dan proberen,
of hij bij me komen wou.
‘k Kreeg als antwoord: ‘’k moet studeren,
maar ‘k beloof je, ik kom gauw.
Wacht, dan pak ik mijn agenda.
Ik kan wel op donderdag.
Donderdag dan kan ik pas ja.
‘k Schrijf dat op hoor, als het mag?’

 Ik ben op mijn fiets gaan rijden.
Ik was ziek van eenzaamheid.
Niemand toonde medelijden.
Men had donderdag pas tijd.
Eenzaam reed ik door de straten
toen een medefietser vroeg:
‘Wat heb jij zeg, wil je praten?
Kom stap af,’k heb tijd genoeg.’

 Ik moest wel een beetje schrikken.
Waar kwam deze man vandaan?
Hij zei: ‘Ik herken uw blikken,
ik heet Achmed Marokkaan.’
Hij nam tijd en zonder haasten,
sprak ik vrij van mijn verdriet
Deze man die bleek ‘mijn naaste’,
een barmhartig Islamiet.

© Hans Cieremans

 

De taal van de muziek

(Melodie: Alle Menschen werden Brüder)

Taal die alle mensen spreken,
taal van de saamhorigheid.
Als de woorden ons ontbreken
toch verstaanbaar wereldwijd.
Taal voor rijken, taal voor armen
of je ziek bent of gezond.
Taal die mensen blijft verwarmen,
zwart, wit, rood of kakelbont.

 Taal die vele noden lenigt,
taal wie droef is vrolijk maakt.
Taal die mensen steeds verenigt,
taal die mensenharten raakt.
Taal van liefde en van vrede,
waar ter wereld wij ook gaan.
Taal van heden en verleden,
taal die eeuwig blijft bestaan.

 Taal die mensen willen horen,
die verzacht verdriet en pijn.
Taal ook van de eng’ lenkoren
als we in de hemel zijn.
Taal aan iedereen gegeven,
van modern tot aan klassiek
Geen mens kan er zonder leven.
‘t Is de taal van de muziek.

© Hans Cieremans

 

De eeuwenoude kerk

Op een heuvel tussen bomen
een stil getuige van Gods werk,
waar elke zondag mensen komen,
staat daar een eeuwenoude kerk.
De vloer bestaat vooral uit graven
van mensen, meestal onbekend.
Die kerk is een vertrouwde haven
een fraai historisch monument.
Daar wordt gepreekt, daar zingen koren,
daar wordt gedoopt, daar wordt getrouwd.
Waar eeuwenlang God ons laat horen,
dat Hij heel veel van ons houdt.

Het orgel en de koop’ren kronen,
een prachtig brandgeschilderd raam.
Het is het huis waar God wil wonen
en waar men luistert naar Zijn naam.
De doopvont en de consistorie,
de preekstoel met het ornament.
Het is een kerk zo vol historie,
daar is God eeuwenlang present.
En alle klokken in de toren,
die elke week luidruchtig slaan
om de mens te laten horen
dat Zijn woord nooit zal vergaan.

Op een heuvel tussen bomen,
een stil getuige van Gods werk,
waar elke zondag mensen komen,
staat daar een eeuwenoude kerk.
De houten banken, kandelaren,
de altijd zo vertrouwde geur.
Het ging nooit weg in al die jaren,
‘t ijz’ren hek, de zware deur.
Die kerk, dat is voor mij het teken,
dat God eens naar de mensen zond
en door de eeuwen nooit bezweken.
Dat is Zijn Eeuwige Verbond.

© Hans Cieremans

 

De vlinder

Dat we afscheid moesten nemen
is al zoveel jaar gelee.
Maar ik kan je niet vergeten,
‘k draag je altijd met me mee.
Jij vloog weg toen als een vlinder,
leek bevrijd van je cocon.
Zocht je weg van aardse zorgen,
naar het volle licht; de zon.
Waar de stralen van weerkaatsten,
op je vleugels zijdezacht,
rijk gevuld met bloemengeuren
in een lente kleurenpracht.

Toch voel ik mijn tranen branden
als ik naar het zonlicht staar.
Ik zie duizend vlinders fladd’ ren
en ik voel: ; Jij bent ook daar.’
Ik zou met je willen vliegen
naar de verre horizon,
maar ik zit hier nog gevangen
in een knellende cocon.
Toch geloof ik te verwachten,
ondanks tranen van gemis,
zodra mijn cocon gaat breken,
er voor mij ook vrijheid is.

En dan vlieg ik naar de hemel,
‘t kost nog eventjes geduld.
Dan krijg ik ook lente kleuren,
word met bloemengeur gevuld.
Dan zal ook de zon weerkaatsen
op mijn vleugels zijdezacht.
En ik zal je weer ontmoeten,
omdat jij daar op mij wacht.
En we vliegen samen verder
op een schitterende reis
Tot we eens zijn aangekomen
in het vlinderparadijs.

Eenmaal zijn we allen vlinders,
zal het altijd lente zijn.
Bonte mengeling van kleuren,
bloemengeuren, zonneschijn.
Eenmaal zijn we allen vlinders
zonder knellende cocon.
Van verdriet geplengde tranen,
zijn verdampt door warme zon.
Eenmaal zijn we allen vlinders
hebben wij elkaar weer lief.
Wie zou niet willen geloven
in zo’n toekomstperspectief?

© Hans Cieremans

Moeder

Die rimpelige hand, die mijn eigen hand omklemt,
die glimlach die doet twijf’ len of je mij nog wel herkent.
Die vlekken op je jurk en die verloren plas,
die haren in de war, dat gebitje in je tas.

Die naam die je fluistert van mijn vader, van jouw man,
die tranen die ik zie als je aldoor roept om ’Jan’.
Die afgezakte kousen, alles klef en nat,
die beker met dat tuitje, die rolstoel met dat blad.

 Lieve moeder, ’t is zo vreemd,
zo vreemd, het gaat zo gauw.
Vroeger was je toch zo’n and’ re vrouw.
Ik wou dat jij het nog een keer begrijpen zou
als ik zeg: ’Ik houd heel veel van jou’.

 Dat huis waar je woont, die kamer met dat bed,
op die rand daarboven staat vader zijn portret.
Die ene kast met kleren, die wasbak met die kraan
die ongepoetste schoenen , die ik naast je bed zie staan.

 En nog steeds die hand die mijn eigen hand omklemt
en nog steeds die glimlach: ‘Word ik wel of niet herkend?’
Al die goede jaren, als een film voorbij gegaan,
ik zoek alsmaar vertwijfeld naar de zin van jouw bestaan.

 Lieve moeder, ’t is zo vreemd,
zo vreemd, het gaat zo gauw.
Vroeger was je toch zo’n and’ re vrouw.
Ik wou dat jij het nog een keer begrijpen zou
als ik zeg: ’Ik houd heel veel van jou’.

© Hans Cieremans

 

Dementie

Geheugen stuk,
wiss’ lende stemming.
Angst en depressie,
boosheid, ontremming.
Soms ook afatisch,
toekomst dramatisch.
Wie, waar, wanneer,
alles verward.
Alzheimer is
zo ontluisterend hard.
Geen medicijn kan
die toestand keren,
hooguit wat pillen
die onrust kalmeren.

Risperidon,
Melatonine,
Haloperidol,
Rivastigmine.
Receptjes schrijven
om kalm te blijven.
Plaats, tijd, persoon,
niets wordt herkend.
Je leeft met een stigma
en dat heet ‘dement’.
Train ’t geheugen
door reminisceren.
Benader empathisch
door te valideren.

Decorumverlies,
confabuleren,
hallucinaties,
weg vegeteren.
Vreemd mechanisme
van egocentrisme.
We zoeken termen
voor een groot leed.
Waarvoor geen mens
een oplossing weet.
De dementie,
waar velen voor vrezen.
Wanneer komt de tijd,
dat dit kan genezen?

© Hans Cieremans

Als ik mezelf niet meer ben

Als mijn geheugen het eens af laat weten
en ik mezelf niet meer ben.
Als ik gekweld word door angstig vergeten,
als ik jou niet meer herken.
Als ik niet meer uit mijn woorden kan komen,
als ik soms plas in mijn broek.
Als dementie levenszin heeft ontnomen,
kom dan bij mij op bezoek.

Breng dan wat kleur in mijn leven,
ook al weet ik niet meer wie je bent.
Vergeet me dan niet en troost me heel even,
geef me soms nog zo’n kostbaar moment.

Als ik niet weet hoe ik mij aan moet kleden,
ben ik de weg kwijt geraakt.
Als ik geen toekomst meer zie in het heden,
als tijd het verschil niet meer maakt.
Als mijn gedachten in mist gaan verdwijnen,
herinn’ ring in nevelen hult.
Als ik dan huil, leg jouw hand in de mijne,
leid mij naar het licht, met geduld.

Breng dan wat kleur in mijn leven,
ook al weet ik niet meer wie je bent.
Vergeet me dan niet en troost me heel even,
geef me soms nog zo’n kostbaar moment.

Als op een dag de mist op zal trekken,
laat me dan los, laat me gaan.
Ik ga dan op reis, een nieuw leven ontdekken,
een reis naar een eeuwig bestaan.
Maar blijf tot die dag, dat de mist wordt verdreven,
bereid saam de reis met me voor.
De reis van vertrouwen in ‘t eeuwige leven
waar ik bazuingeschal hoor

Maar blijf tot die tijd in mijn leven,
ook al weet ik niet meer wie je bent.
Vergeet me dan niet en troost me heel even,
geef me soms nog zo’n kostbaar moment.

© Hans Cieremans