De vlinder

Dat we afscheid moesten nemen
is al zoveel jaar gelee.
Maar ik kan je niet vergeten,
‘k draag je altijd met me mee.
Jij vloog weg toen als een vlinder,
leek bevrijd van je cocon.
Zocht je weg van aardse zorgen,
naar het volle licht; de zon.
Waar de stralen van weerkaatsten,
op je vleugels zijdezacht,
rijk gevuld met bloemengeuren
in een lente kleurenpracht.

Toch voel ik mijn tranen branden
als ik naar het zonlicht staar.
Ik zie duizend vlinders fladd’ ren
en ik voel: ; Jij bent ook daar.’
Ik zou met je willen vliegen
naar de verre horizon,
maar ik zit hier nog gevangen
in een knellende cocon.
Toch geloof ik te verwachten,
ondanks tranen van gemis,
zodra mijn cocon gaat breken,
er voor mij ook vrijheid is.

En dan vlieg ik naar de hemel,
‘t kost nog eventjes geduld.
Dan krijg ik ook lente kleuren,
word met bloemengeur gevuld.
Dan zal ook de zon weerkaatsen
op mijn vleugels zijdezacht.
En ik zal je weer ontmoeten,
omdat jij daar op mij wacht.
En we vliegen samen verder
op een schitterende reis
Tot we eens zijn aangekomen
in het vlinderparadijs.

Eenmaal zijn we allen vlinders,
zal het altijd lente zijn.
Bonte mengeling van kleuren,
bloemengeuren, zonneschijn.
Eenmaal zijn we allen vlinders
zonder knellende cocon.
Van verdriet geplengde tranen,
zijn verdampt door warme zon.
Eenmaal zijn we allen vlinders
hebben wij elkaar weer lief.
Wie zou niet willen geloven
in zo’n toekomstperspectief?

© Hans Cieremans

Moeder

Die rimpelige hand, die mijn eigen hand omklemt,
die glimlach die doet twijf’ len of je mij nog wel herkent.
Die vlekken op je jurk en die verloren plas,
die haren in de war, dat gebitje in je tas.

Die naam die je fluistert van mijn vader, van jouw man,
die tranen die ik zie als je aldoor roept om ’Jan’.
Die afgezakte kousen, alles klef en nat,
die beker met dat tuitje, die rolstoel met dat blad.

 Lieve moeder, ’t is zo vreemd,
zo vreemd, het gaat zo gauw.
Vroeger was je toch zo’n and’ re vrouw.
Ik wou dat jij het nog een keer begrijpen zou
als ik zeg: ’Ik houd heel veel van jou’.

 Dat huis waar je woont, die kamer met dat bed,
op die rand daarboven staat vader zijn portret.
Die ene kast met kleren, die wasbak met die kraan
die ongepoetste schoenen , die ik naast je bed zie staan.

 En nog steeds die hand die mijn eigen hand omklemt
en nog steeds die glimlach: ‘Word ik wel of niet herkend?’
Al die goede jaren, als een film voorbij gegaan,
ik zoek alsmaar vertwijfeld naar de zin van jouw bestaan.

 Lieve moeder, ’t is zo vreemd,
zo vreemd, het gaat zo gauw.
Vroeger was je toch zo’n and’ re vrouw.
Ik wou dat jij het nog een keer begrijpen zou
als ik zeg: ’Ik houd heel veel van jou’.

© Hans Cieremans

 

Dementie

Geheugen stuk,
wiss’ lende stemming.
Angst en depressie,
boosheid, ontremming.
Soms ook afatisch,
toekomst dramatisch.
Wie, waar, wanneer,
alles verward.
Alzheimer is
zo ontluisterend hard.
Geen medicijn kan
die toestand keren,
hooguit wat pillen
die onrust kalmeren.

Risperidon,
Melatonine,
Haloperidol,
Rivastigmine.
Receptjes schrijven
om kalm te blijven.
Plaats, tijd, persoon,
niets wordt herkend.
Je leeft met een stigma
en dat heet ‘dement’.
Train ’t geheugen
door reminisceren.
Benader empathisch
door te valideren.

Decorumverlies,
confabuleren,
hallucinaties,
weg vegeteren.
Vreemd mechanisme
van egocentrisme.
We zoeken termen
voor een groot leed.
Waarvoor geen mens
een oplossing weet.
De dementie,
waar velen voor vrezen.
Wanneer komt de tijd,
dat dit kan genezen?

© Hans Cieremans

Als ik mezelf niet meer ben

Als mijn geheugen het eens af laat weten
en ik mezelf niet meer ben.
Als ik gekweld word door angstig vergeten,
als ik jou niet meer herken.
Als ik niet meer uit mijn woorden kan komen,
als ik soms plas in mijn broek.
Als dementie levenszin heeft ontnomen,
kom dan bij mij op bezoek.

Breng dan wat kleur in mijn leven,
ook al weet ik niet meer wie je bent.
Vergeet me dan niet en troost me heel even,
geef me soms nog zo’n kostbaar moment.

Als ik niet weet hoe ik mij aan moet kleden,
ben ik de weg kwijt geraakt.
Als ik geen toekomst meer zie in het heden,
als tijd het verschil niet meer maakt.
Als mijn gedachten in mist gaan verdwijnen,
herinn’ ring in nevelen hult.
Als ik dan huil, leg jouw hand in de mijne,
leid mij naar het licht, met geduld.

Breng dan wat kleur in mijn leven,
ook al weet ik niet meer wie je bent.
Vergeet me dan niet en troost me heel even,
geef me soms nog zo’n kostbaar moment.

Als op een dag de mist op zal trekken,
laat me dan los, laat me gaan.
Ik ga dan op reis, een nieuw leven ontdekken,
een reis naar een eeuwig bestaan.
Maar blijf tot die dag, dat de mist wordt verdreven,
bereid saam de reis met me voor.
De reis van vertrouwen in ‘t eeuwige leven
waar ik bazuingeschal hoor

Maar blijf tot die tijd in mijn leven,
ook al weet ik niet meer wie je bent.
Vergeet me dan niet en troost me heel even,
geef me soms nog zo’n kostbaar moment.

© Hans Cieremans

Dooplied

Vandaag word jij aangenomen
door het teken van de doop.
Laat God kind’ren tot Hem komen
in het perspectief van hoop.
Hoop om met de Heer te leven
in een levenslang verband.
En jouw naam wordt bijgeschreven
in de palm van Gods hand.

Tussen talloos vele namen,
wordt jouw naam door God herkend.
Zul jij zelf je doop beamen
als je eens volwassen bent?
Zal jouw naam genoemd bij ‘t dopen
in Gods handpalm blijven staan?
‘t Is jouw keuze naar wij hopen,
dat je steeds tot Hem zult gaan.

God die wil jou hier aanraken,
jou aanvaarden als Zijn kind.
En bij ‘t eigen keuzes maken,
hoopt Hij dat je Hem steeds vindt.
En je ouders hier beloven
te vertellen van Gods Woord.
En zij zeggen te geloven,
dat jij aan Hem toebehoort.

En we dopen met de namen
Vader, Zoon en Heil’ge Geest.
En wij mensen zeggen samen:
‘Dat is reden voor een feest.’
Want straks ben je aangenomen
door het teken van de doop.
En zo mag je tot God komen
in geloof, in liefde, hoop.

© Hans Cieremans

 

Paasmysterie

Het leven heeft de dood verslagen,
het licht de diepe duisternis.
Paasfeest, feest van duizend vragen
wonderlijk geheimenis.
Voor de mens niet te doorgronden:
‘Overwinning op de dood,
vergeving van de aardse zonden.’
‘t Paas-mysterie is zo groot.

Eén Mens moest die lasten dragen,
gaf Zijn leven daarvoor prijs.
Maar er blijven duizend vragen,
vragen zoekend naar bewijs.
Zijn wij niet als Thomas mensen,
ziende blind en horend doof?
Want bewijzen die wij wensen,
zijn bewijs van klein geloof.

‘t Heeft geen zin te redeneren,
zet de Paas-boodschap centraal.
Wonder-Pasen wil ons leren:
‘Er is hoop voor allemaal.’
Pasen biedt ons licht, nieuw leven,
uitzicht op de eeuwigheid.
Zo wordt toekomst ons gegeven.
Pasen dat de mens bevrijdt.

© Hans Cieremans

 

R.I.P.

Plannen vallen in het water,
toekomst is herinnering.
Er is vroeger, maar geen later,
‘dan’ is ‘toen’, nadat je ging.
Zomaar weg, van ons vertrokken
naar een wereld zonder tijd.
Waar de wijzers van de klokken,
tikken in de eeuwigheid.

Zo ver weg van mij verdwenen
zit je in mijn hart vlakbij.
In mijn droom ben je verschenen
en zo ben je toch in mij.
In een ruimte-loze vrijheid
zijn de grenzen niet te zien.
Het is slechts gevuld met blijheid,
waar ik jou hoop weer te zien.

Daar verdampen bitt’re tranen,
op de grazig groene wei.
Komen wij misschien weer samen
met de vrienden van voorbij.
Van verdriet is nooit meer sprake,
treur ik niet om je verlies.
Dan gaan wij weer plannen maken.
Nou tot dan lief, ‘Rest In Peace’.

©Hans Cieremans

Het stigma van een vluchteling

Hij krijgt een stigma opgeplakt,
hij is een vluchteling,
een potentiële aanrander,
een agressieveling.
Misschien wel een gelukszoeker,
wie weet een terrorist,
gevaarlijk voor de maatschappij,
een echte Jihadist.

Vooroordelen zijn er zat
in het hele land.
Men steekt voor medemens’ lijkheid
de koppen in het zand.
Protesten worden agressief:
‘Hier geen AZC,
het is bedreigend voor ons zelf,
rot op en weg ermee.’

Niet de arme vluchteling
bedreigt hier ons bestaan.
’t Is de dreiging van onszelf
‘bang en inhumaan’.
De oplossing die vind je niet
in de angst of haat.
Vlucht niet voor de vluchteling,
zoek hem op en praat.

Een vluchteling, gewoon een mens
zoals als jij en ik.
Allebei getalenteerd,
dat is geen slechterik.
Het stigma van de vluchteling,
dat is geen stuiver waard.
Als je luistert naar zijn nood
en hem als mens aanvaardt.

©Hans Cieremans

Kerstvisite

Met de kerst weer naar je ouders,
want zo gaat dat elk jaar.
Eerste kerstdag naar de mijne
tweede kerstdag die van haar.
Eerste kerstdag fijn gourmetten
tweede kerstdag een konijn.
Langzaam raak ik opgeblazen,
te veel eten te veel wijn.
En de kinderen zijn lastig,
willen liever gauw naar huis
Oma zet dan de t.v. aan,
wat een uitkomst is die buis.

Opa gaat dan zitten tukken,
snurkt als een kettingzaag.
Oma vraagt: ‘Wil je nog koffie?’
en natuurlijk zeg ik: ‘Graag’.
Dan nog even liedjes zingen,
dat hoort bij de kerst nietwaar?
Oma zegt: ‘Hiervan geniet ik,
zo gezellig met elkaar.’
En dan denk ik: Wat gezellig?
‘k Wil naar huis ik ben het zat.
Geforceerd gezellig wezen,
‘k heb het helemaal gehad.’

Geen minuutje voor mezelf,
die verplichting elke keer.
Maar intussen weet ik nu al:
‘Volgend jaar dan ga ik weer.’
Zo verstreken vele jaren
en de kerst komt nu weer aan.
Voor het eerst hoef ik dit jaar niet
naar mijn ouders toe te gaan
‘k Hoef er niet meer te gourmetten
en geen liedje dat ik zing
Opa snurkend na het eten,
is nog slechts herinnering.

Had ik nog maar die verplichting,
voelde ik maar niet de pijn,
van de tijd die voor mezelf is,
nu mijn ouders niet meer zijn.

© Hans Cieremans

Het Kerstkind

gezongen door Barbra en Bas

Als ‘t Kerstkind nu op aarde kwam,
waar zou dat kunnen zijn?
Misschien dichtbij in Rotterdam
of ver weg in Bahrein?
Is het dan blank of zwart?
Hoe wordt het dan herkend?
Schijnt op die plaats een ster als toen,
hoog aan het firmament?

Als ‘t Kerstkind nu op aarde kwam,
wie ligt dan in het veld?
Is dat die vredesdemonstrant,
die strijdt tegen het geweld?
Of is het die soldaat,
die vecht voor ‘t ideaal?
Voor wie zingt dan het eng’ lenkoor?
Of is ‘t voor allemaal?

Als ‘t Kerstkind nu op aarde kwam,
wie zijn de wijzen dan?
Zijn dat de wereldleiders soms
uit o zo verre land?
Wat is dan hun geschenk,
waar ‘t Kind mee wordt verblijd?
Zou dat een vredesboodschap zijn?
Of oproep tot de strijd?

Als ‘t Kerstkind nu op aarde kwam,
of is dat Kind er al?
Is het misschien nooit weg geweest,
ligt het nog in die stal?
Kom ga dan mee op zoek,
naar waar die stal dan staat.
Dan komt de vrede toch misschien
en is ‘t nog niet te laat.

© Hans Cieremans