Zure regen

Heel hoog in de hemel dreef een wolk voorbij,
die wolk zo zwart en dreigend bevatt’ een onweersbui.
De bomen op de aarde die waren echt niet blij.
Want allen dachten: ‘Zo’n zure, zo’n zure niets voor mij.’

De wolk die dreef verder tot boven aan de Rijn.
De vissen in het water die vonden dat niet fijn.
Want zou er in zo’n bui voldoende zuurstof zijn
om te blijven leven, te leven in de Rijn.

De wolk kon het niet houden, het werd hem veel te zwaar.
Boven bos en water ontlaadde hij zich daar.
De bomen en de vissen, die waren in gevaar.
En het werd erger, steeds erger jaar na jaar.

Alle vissen stikten in rivier en sloot.
Het water zonder zuurstof, maar wel met zuur en lood.
‘De kans op botulisme’ schreef de krant ‘is groot’.
Toen gingen ook de vogels, de vogels gingen dood.

De mensen spraken binnen, turend door het raam:
‘Kijk eens hoe het regent, ik laat de fiets maar staan.
Dus om droog te blijven maar met de auto gaan.
We gooien er benzine, benzine tegenaan.’

De fabrieken zaten met hun P.C.B.,
ontstaan uit dioxiet en stortten het in zee.
Vuil water dat verdampte dat nam de wolk mee.
‘t Kwam als zure regen, de regen naar benee.

Na onze generatie geen vogels en geen vis.
Nergens zie je bomen met blaadjes groen en fris.
En de mensen vragen: ‘Wat ging er nou toch mis?
Als er tenminste, tenminste …………nog iemand is.

© Hans Cieremans

 

De trein van het leven

We zijn onderweg in de trein van het leven
van ‘t ene naar ‘t and’re station.
En wat ons die reis biedt wordt ons slechts gegeven,
soms regen en soms schijnt de zon.
Langs bergen en dalen,
het einddoel gaan halen,
die trein rijdt altijd maar door.
Geen mens die hem mist,
met een Machinist,
die ons begeleidt op dit spoor.

 Je spoor van het leven ligt vast voor ’t vertrekken.
Bekend is: ‘Waar gaat het naar toe’.
Maar tijdens die reis, moet je zelf gaan ontdekken:
‘Jij zelf kiest het wat en het hoe’.
Geloof niet verliezen,
daar kun je voor kiezen.
Dan wacht je een warm onthaal
met de Machinist,
die zich nimmer vergist,
ontvangt ons dan daar allemaal.

 De reis kort of lang, besef dat het eindpunt
ligt binnen ons aller bereik.
Waar vrede en rust heerst, aan ieder gegund
en daar zijn we allen gelijk.
Weg tegenslagen,
geen leed meer te dragen.
De Machinist heeft ons beloofd:
‘Al is de reis zwaar,
je komt altijd daar,
zolang je maar in Mij gelooft.’

© Hans Cieremans

 

Het schelpje

Tussen de miljoenen schelpen
op het uitgestrekte strand,
aangespoeld door de getijden,
ligt een schelpje in het zand.
Van waar zou dit schelpje komen,
neemt de vloed het straks weer mee?
Hoe vaak werd het meegenomen
door de golven van de zee?

Hoe lang heeft het rondgedobberd
in het schuim van ‘t ruime sop?
Waarom roept een nietig schelpje
ineens zoveel vragen op?
Misschien zijn wij als dat schelpje,
met veel schelpen om ons heen.
Net als hen met heel veel samen,
maar uiteindelijk alleen.

Liggen wij als eenzaam schelpje
plompverloren op het strand.
Levensvragen onbeantwoord,
dan is daar altijd die hand.
Die ons oppakt en ons meeneemt,
hand die alle schelpen spaart.
Hand waar ook gebroken schelpen
veilig in worden bewaard.

Gaaf, kapot, glad of gekarteld,
alle schelpen van de kust.
brengt die hand naar eeuw’ge stranden,
naar de wateren van rust.
Waar de doffe schelpen glanzen
en weerkaatsten in het zand.
Waar gebroken schelpen helen
in de palm van Gods hand.

© Hans Cieremans

De eerste dag

Voor de eerste keer ga je naar de peuterzaal.
Er is een vreemde juffrouw, vreemde kind’ ren allemaal
En je moet een beetje huilen, maar dat is heel normaal,
op zo’n eerste dag.

Kind’ en spelen op de grond en je duim gaat in je mond.
En een kindje vraagt aan jou: ‘Speel je mee met mijn gebouw’,
hier vandaag.

Moeder laat je los en ze zegt: ‘Ik moet nu gaan’.
Ze moet een paar keer slikken en ze zwaait bij het raam.
Dan loopt ze langzaam verder, zou ze liever blijven staan,
op zo’n eerste dag.

En je duim blijft in je mond, naar jou kijkt een pluche hond.
Vragend staart dat beest naar jou, of je met hem spelen wou,
hier vandaag.

Juffrouw neemt je mee, leid je naar de poppenhoek.
En je blijft maar huilen, juffrouw pakt een voorleesboek.
Dan moet je ook nog plassen en dat doe je in je broek,
op zo’n eerste dag.

Met je duim steeds in je mond, thuis dan krijg je op je kont.
Maar de juffrouw zegt tot jou: ‘Kom maar dan verschoon ik je gauw’,
hier vandaag.

Ben je dan getroost, is de ochtend weer voorbij.
Mamma komt je halen en je kijkt nu weer blij.
En dan zegt de juffrouw: ‘Wat een reuze-kind ben jij’,
op zo’n eerste dag.

En je duim gaat uit je mond en dan lach je weer terstond
En je moeder vraagt aan jou: ‘Hoe vond je ‘t nou?’
‘Leuk mam’

© Hans Cieremans

Aanvaard elkaar

Hij is getrouwd met de vriend van zijn dromen,
kritiek liet hem echter niet koud.
Zijn ouders zijn niet naar zijn bruiloft gekomen,
ze zeiden: ‘Dit huw’ lijk is fout.
Een man kiest een vrouw, dat staat in de Bijbel,
een opdracht die God aan ons gaf.’
Het kostte veel tranen en onderling heibel.
Ze wezen het huw’ lijk streng af.

Zijn ouders ontbraken die dag van zijn leven.
Het maakte de dag minder blij.
De dominee heeft ‘t paar Gods zegen gegeven,
maar zonder zijn ouders daar bij.
Zo dreigen ouders hun zoon te verliezen,
een niet overbrugbare kloof.
Maar moeten ouders hier werk’ lijk voor kiezen?
Hoort dit nou echt bij ‘t geloof?

Ouders kunnen hun kind respecteren,
wat je er dan ook van vindt.
‘Anders zijn’ kun je dan ook accepteren,
want je kind blijft je kind.
Heeft je kind andere normen en waarden,
is je kind anders geaard.
De Bijbel vraagt ook om elkaar te aanvaarden,
zoals Christus ons heeft aanvaard.

© Hans Cieremans

 

De mooiste wens

Niets is sterker dan de liefde,
maar ze is ook kwetsbaar, broos.
Liefde kent soms ook haar grenzen,
maar is meestal grenzeloos.
Liefde duurt soms maar heel even,
maar duurt vaker voor altijd.
Onvoorwaardelijke liefde,
die bestaat in eeuwigheid.

Onvoorwaard’ lijk is Gods liefde,
wij zijn Zijn geliefde kind.
Zelfs als wij Zijn weg niet kiezen,
worden wij door Hem bemind.
Hoort, Zijn liefde kent geen grootspraak
en geen zelfgenoegzaamheid.
Hij schenkt ons Zijn Ware Liefde.
Aanvaard die met dankbaarheid.

Want Zijn liefde is geduldig
en ze kent geen jaloezie.
Van geloof en hoop en liefde
is ‘t de sterkste van de drie.
Niets scheidt mensen van Gods liefde,
’t is altijd en onbegrensd.
Dus de mooiste wens ter wereld
is: ‘Gods liefde toegewenst’.

(Naar aanleiding van 1 Korintiërs 13 uit de bijbel: ‘Niets is sterker dan de liefde’)

© Hans Cieremans

Samen leven

Als ik ‘God’ zeg, zeg jij ‘Allah’,
ik zeg ‘kerk’, jij ‘moskee’.
Ik eet ‘kerstkrans’, jij ‘baklava’,
jouw ‘imam’, mijn ‘dominee’.

Ik zeg ‘Jezus’, jij ‘Mohammed’,
ik lees ‘Bijbel’, jij ‘Koran’
Mijn kind ‘Jan’ heet bij jou ‘Achmed’.
‘Vasten’ noem jij ‘ramadan’.

‘Schriftlezing’ heet ‘reciteren’.
Ik kook ‘westers’, jij ‘halal’.
‘Suikerfeest’ of ‘kerstfeestsferen’,
jij ‘kebab’, ik ‘bitterbal’.

Laat verschillen ons niet scheiden,
maar zoek wat ons samen bindt.
Zoek de God die ons wil leiden,
die verschillen overwint.

© Hans Cieremans

Kleinkind

Heel de wereld mag het horen:
Nu al houden wij van jou.
Dat, al ben je net geboren,
wij zo trots zijn als een pauw.
Onze lach en vreugdetranen,
tekens van intens geluk.
In ons hart staan reeds jouw namen,
onze band kan nooit meer stuk.

Jij bent welkom op de wereld,
kleine, grote bron van vreugd.
‘t Leven gaat voor jou beginnen
en geeft ons een tweede jeugd.
Bij plezier lachen we samen
en we troosten je bij pijn.
En we hopen nog veel jaren
er voor jou te mogen zijn.

Straks dan ga je ons herkennen,
en als jij ons smelten laat,
gaan we jou soms ook verwennen,
zelfs al wordt je moeder kwaad.
Want als jij ons hart blijft breken
met je onschuld, met je lach,
dan moet mamma maar beseffen,
dat verwennen soms wel mag.

Ben jij ons door God gegeven?
Is jouw leven in Zijn hand?
Hoe dan ook jouw jonge leven
gaat ver boven ons verstand.
Een groot wonder niet te vatten
een mysterie wonderschoon.
Een bevestiging van liefde
van een dochter en een zoon.

Wij zijn dankbaar met jouw leven,
dat wij opa, oma zijn.
Als wij onze liefde geven
schenk jij ons jouw zonneschijn.
Ja, de wereld mag het horen:
Nu al houden wij van jou.
Dat, al ben je net geboren,
wij zo trots zijn als een pauw.

© Hans Cieremans

Hun allerlaatste vlucht (MH 17)

Stille tochten zijn gelopen
er zijn bloemen neergelegd.
Rouwregisters stonden open,
mooie woorden zijn gezegd.
Vrije loop hadden de tranen,
heel veel kaarsen zijn gebrand
en we lazen al hun namen
afgedrukt in elke krant.

Op het netvlies staan de beelden
van de kisten, van de stoet,
van de stiltes die we deelden,
bij een allerlaatste groet.
En er klonken warme woorden
van bemoediging en troost,
indrukwekkende akkoorden
door muziek van de Last Post.

Dit verzacht wel iets de woede
en onmetelijk verdriet.
Maar kan ‘t onrecht niet vergoeden,
heelt de diepe wonden niet.
Slachtoffers en onze vragen
blijven zweven door de lucht
als op vleugelen gedragen
op hun allerlaatste vlucht.

© Hans Cieremans

Opa’s kerstster

‘Ogen dicht, je mag niet kijken.
Opa, ik heb een geheim.’
Op de tafel stonden potjes
één met glitters, één met lijm.
‘k Deed mijn handen voor mijn ogen
tot ze zei: ‘Ja kijken maar.
Opa kijk, voor jou een kerstster
gemaakt met mijn kinderschaar’.

Heel verrast heb ik die kerstster
van mijn meisje aangepakt.
En ik zei: ‘Wat is hij mooi zeg
heb jij zelf die ster beplakt?’
‘Ja hoor, opa’ zei mijn kleinkind
en ik zei: ‘Wat word je groot.’
Met haar plakkerige handjes,
kroop ze trots bij mij op schoot.’

Ze vroeg mij om een verhaaltje,
ik vertelde van de ster.
Van het kindje in de kribbe,
van de wijzen van heel ver.
Tussendoor stelde ze vragen:
‘Waren alle mensen blij?
Was de ster boven de kerststal
net zo mooi als die van mij?’

‘Ja, natuurlijk’ was mijn antwoord
‘die ster scheen voor allemaal’.
‘Dat had ik wel willen zien hoor
‘k Vind het echt een mooi verhaal.
Maar mijn kerstster is ook heel mooi
die is echt alleen voor jou.’
Ze gaf mij een dikke pakkerd
‘omdat ik veel van je hou’.

© Hans Cieremans