Brussel

Een bloemenzee is de stille getuige
van terroristisch geweld.
De vrijheid ontplofte in duizenden duigen,
onschuldige levens geveld.
Stille tochten door straten en lanen,
gevoelens van onmacht en leed.
Woede en afschuw, verstikkende tranen.
Zinloos geweld is zo wreed.

Woorden van troost, kaarsen die branden,
tussen de bloemen gezet.
D’ emotie is heftig, gevouwen de handen,
Brussel is stil in gebed.
Hoor naar die stilte, de kracht van het zwijgen,
zie naar de traan van ’t verdriet.
De angst zal de vrijheid nooit klein kunnen krijgen.
Ook bommen vol haat lukt dat niet.

De rook verdwijnt, de doden vertellen,
dat alles anders zal zijn.
Maar de open wond, die straks gaat herstellen,
die krijgt ook Brussel niet klein.
Het litteken blijft, maar Brussel eendrachtig
krijgt op het leven weer vat.
Brussel herrijst, saamhorig, veerkrachtig.
Brussel de bruisende stad.

© Hans Cieremans

Bingo in het verpleeghuis

Elke woensdag om twee uur
is het weer bingotijd.
De oudjes komen naar de zaal
voor wat gezelligheid.
De kaarten worden uitgedeeld,
kop koffie, plakje cake.
Alles klaar, dus spelen maar.
Zo gaat dat elke week.

Als er iemand ‘bingo’ roept
in ’t clubje ‘zilvergrijs’,
dan wordt de kaart gecontroleerd,
krijgt hij of zij een prijs.
Soms blijkt de ‘bingo’ vals te zijn,
geen prijs dus achteraf.
In plaats daarvan zing je een lied,
want dat is dan je straf.

Maar als je wel gewonnen hebt
krijg je een stukje zeep,
een geurtje of een doosje snoep
of chocoladereep.
En als de pauze dan aanbreekt,
zoals het altijd gaat,
krijg je een frisje of een pils,
een glaasje advocaat.

Om vier uur is het weer voorbij.
En moe , maar ook voldaan,
zie je alle oudjes weer
naar hun kamer gaan.
‘Bingo’ is een medicijn
tegen de eenzaamheid.
Ze kijken steeds naar woensdag uit,
dan is het ‘bingotijd’.

© Hans Cieremans

 

Het psychogeriatrisch verpleeghuis

Schuifelend door lange gangen
en zich vasthoudend aan stangen,
die daar langs de muren hangen,
lopen oudjes zinloos rond.
Dat is hoe ze tijd benutten,
‘t lopen lijkt hen uit te putten,
straks dan zitten ze te dutten,
ogen dicht en open mond.

Zonder naar de zin te vragen,
slijten zij hun levensdagen,
maar je hoort ze zelden klagen,
zien niet meer de werk’ lijkheid.
Alles lijkt er grijs te kleuren,
achter de gesloten deuren,
flarden van urinegeuren,
die verwaaien met de tijd.

Dat is het verpleeghuisleven,
worden pillen voorgeschreven,
advocaatje wordt gegeven,
toch nog wat gezelligheid.
Maar je krijgt snel in de gaten,
dat ook dat niet lijkt te baten,
‘t lijkt een oord door God verlaten,
ieder is de weg hier kwijt.

En ze blijven rondjes lopen,
want de deuren gaan niet open.
En ze kunnen nog slechts hopen
op misschien een nieuw begin.
Schuifelend door lange gangen
en zich vasthoudend aan stangen,
geeft dit twijfelend verlangen
nog een beetje levenszin.

© Hans Cieremans

Kerst in onze tijd

In de kerstsok van de Kerstman
zit gemis en eenzaamheid.
Snoepgoed is gevuld met honger,
pakjes vol met ledigheid.
Door de kaarsjes in de kerstboom
wordt er duisternis verspreid.
Dat is kerst van de vervlakking,
dat is kerst in onze tijd.

’t  Kerstdiner bestaat uit hebzucht
gegarneerd met overvloed.
In een sfeer van glitter, glamour
raken mensen zwaar  doorvoed.
En ’t spirituele tintje?
Dat zijn we al heel lang  kwijt
‘Kerst is toch iets met een Kindje?’
Dat  is kerst in onze tijd.

Maar………..

Vul de kerstsok van de Kerstman
liever met  verdraagzaamheid.
Ruil het snoepgoed in voor  liefde
in een zak tevredenheid.
Maak van kaarsjes in de kerstboom
vredeslichtjes wereldwijd.
Dan wordt kerst weer echt een kerstfeest
Zo kan ‘t ook  in onze tijd.

Maak het kerstdiner tot maaltijd
waar we delen met elkaar.
Waar we vredig van genieten,
op weg naar het nieuwe jaar.
En ’t spirituele tintje?
Dat geldt tot in eeuwigheid,
dus ‘t verhaal van ‘t kleine Kindje,
dat past ook in onze tijd.

© Hans Cieremans

Zure regen

Heel hoog in de hemel dreef een wolk voorbij,
die wolk zo zwart en dreigend bevatt’ een onweersbui.
De bomen op de aarde die waren echt niet blij.
Want allen dachten: ‘Zo’n zure, zo’n zure niets voor mij.’

De wolk die dreef verder tot boven aan de Rijn.
De vissen in het water die vonden dat niet fijn.
Want zou er in zo’n bui voldoende zuurstof zijn
om te blijven leven, te leven in de Rijn.

De wolk kon het niet houden, het werd hem veel te zwaar.
Boven bos en water ontlaadde hij zich daar.
De bomen en de vissen, die waren in gevaar.
En het werd erger, steeds erger jaar na jaar.

Alle vissen stikten in rivier en sloot.
Het water zonder zuurstof, maar wel met zuur en lood.
‘De kans op botulisme’ schreef de krant ‘is groot’.
Toen gingen ook de vogels, de vogels gingen dood.

De mensen spraken binnen, turend door het raam:
‘Kijk eens hoe het regent, ik laat de fiets maar staan.
Dus om droog te blijven maar met de auto gaan.
We gooien er benzine, benzine tegenaan.’

De fabrieken zaten met hun P.C.B.,
ontstaan uit dioxiet en stortten het in zee.
Vuil water dat verdampte dat nam de wolk mee.
‘t Kwam als zure regen, de regen naar benee.

Na onze generatie geen vogels en geen vis.
Nergens zie je bomen met blaadjes groen en fris.
En de mensen vragen: ‘Wat ging er nou toch mis?
Als er tenminste, tenminste …………nog iemand is.

© Hans Cieremans

 

De trein van het leven

We zijn onderweg in de trein van het leven
van ‘t ene naar ‘t and’re station.
En wat ons die reis biedt wordt ons slechts gegeven,
soms regen en soms schijnt de zon.
Langs bergen en dalen,
het einddoel gaan halen,
die trein rijdt altijd maar door.
Geen mens die hem mist,
met een Machinist,
die ons begeleidt op dit spoor.

 Je spoor van het leven ligt vast voor ’t vertrekken.
Bekend is: ‘Waar gaat het naar toe’.
Maar tijdens die reis, moet je zelf gaan ontdekken:
‘Jij zelf kiest het wat en het hoe’.
Geloof niet verliezen,
daar kun je voor kiezen.
Dan wacht je een warm onthaal
met de Machinist,
die zich nimmer vergist,
ontvangt ons dan daar allemaal.

 De reis kort of lang, besef dat het eindpunt
ligt binnen ons aller bereik.
Waar vrede en rust heerst, aan ieder gegund
en daar zijn we allen gelijk.
Weg tegenslagen,
geen leed meer te dragen.
De Machinist heeft ons beloofd:
‘Al is de reis zwaar,
je komt altijd daar,
zolang je maar in Mij gelooft.’

© Hans Cieremans

 

Het schelpje

Tussen de miljoenen schelpen
op het uitgestrekte strand,
aangespoeld door de getijden,
ligt een schelpje in het zand.
Van waar zou dit schelpje komen,
neemt de vloed het straks weer mee?
Hoe vaak werd het meegenomen
door de golven van de zee?

Hoe lang heeft het rondgedobberd
in het schuim van ‘t ruime sop?
Waarom roept een nietig schelpje
ineens zoveel vragen op?
Misschien zijn wij als dat schelpje,
met veel schelpen om ons heen.
Net als hen met heel veel samen,
maar uiteindelijk alleen.

Liggen wij als eenzaam schelpje
plompverloren op het strand.
Levensvragen onbeantwoord,
dan is daar altijd die hand.
Die ons oppakt en ons meeneemt,
hand die alle schelpen spaart.
Hand waar ook gebroken schelpen
veilig in worden bewaard.

Gaaf, kapot, glad of gekarteld,
alle schelpen van de kust.
brengt die hand naar eeuw’ge stranden,
naar de wateren van rust.
Waar de doffe schelpen glanzen
en weerkaatsten in het zand.
Waar gebroken schelpen helen
in de palm van Gods hand.

© Hans Cieremans

De eerste dag

Voor de eerste keer ga je naar de peuterzaal.
Er is een vreemde juffrouw, vreemde kind’ ren allemaal
En je moet een beetje huilen, maar dat is heel normaal,
op zo’n eerste dag.

Kind’ en spelen op de grond en je duim gaat in je mond.
En een kindje vraagt aan jou: ‘Speel je mee met mijn gebouw’,
hier vandaag.

Moeder laat je los en ze zegt: ‘Ik moet nu gaan’.
Ze moet een paar keer slikken en ze zwaait bij het raam.
Dan loopt ze langzaam verder, zou ze liever blijven staan,
op zo’n eerste dag.

En je duim blijft in je mond, naar jou kijkt een pluche hond.
Vragend staart dat beest naar jou, of je met hem spelen wou,
hier vandaag.

Juffrouw neemt je mee, leid je naar de poppenhoek.
En je blijft maar huilen, juffrouw pakt een voorleesboek.
Dan moet je ook nog plassen en dat doe je in je broek,
op zo’n eerste dag.

Met je duim steeds in je mond, thuis dan krijg je op je kont.
Maar de juffrouw zegt tot jou: ‘Kom maar dan verschoon ik je gauw’,
hier vandaag.

Ben je dan getroost, is de ochtend weer voorbij.
Mamma komt je halen en je kijkt nu weer blij.
En dan zegt de juffrouw: ‘Wat een reuze-kind ben jij’,
op zo’n eerste dag.

En je duim gaat uit je mond en dan lach je weer terstond
En je moeder vraagt aan jou: ‘Hoe vond je ‘t nou?’
‘Leuk mam’

© Hans Cieremans

Aanvaard elkaar

Hij is getrouwd met de vriend van zijn dromen,
kritiek liet hem echter niet koud.
Zijn ouders zijn niet naar zijn bruiloft gekomen,
ze zeiden: ‘Dit huw’ lijk is fout.
Een man kiest een vrouw, dat staat in de Bijbel,
een opdracht die God aan ons gaf.’
Het kostte veel tranen en onderling heibel.
Ze wezen het huw’ lijk streng af.

Zijn ouders ontbraken die dag van zijn leven.
Het maakte de dag minder blij.
De dominee heeft ‘t paar Gods zegen gegeven,
maar zonder zijn ouders daar bij.
Zo dreigen ouders hun zoon te verliezen,
een niet overbrugbare kloof.
Maar moeten ouders hier werk’ lijk voor kiezen?
Hoort dit nou echt bij ‘t geloof?

Ouders kunnen hun kind respecteren,
wat je er dan ook van vindt.
‘Anders zijn’ kun je dan ook accepteren,
want je kind blijft je kind.
Heeft je kind andere normen en waarden,
is je kind anders geaard.
De Bijbel vraagt ook om elkaar te aanvaarden,
zoals Christus ons heeft aanvaard.

© Hans Cieremans

 

De mooiste wens

Niets is sterker dan de liefde,
maar ze is ook kwetsbaar, broos.
Liefde kent soms ook haar grenzen,
maar is meestal grenzeloos.
Liefde duurt soms maar heel even,
maar duurt vaker voor altijd.
Onvoorwaardelijke liefde,
die bestaat in eeuwigheid.

Onvoorwaard’ lijk is Gods liefde,
wij zijn Zijn geliefde kind.
Zelfs als wij Zijn weg niet kiezen,
worden wij door Hem bemind.
Hoort, Zijn liefde kent geen grootspraak
en geen zelfgenoegzaamheid.
Hij schenkt ons Zijn Ware Liefde.
Aanvaard die met dankbaarheid.

Want Zijn liefde is geduldig
en ze kent geen jaloezie.
Van geloof en hoop en liefde
is ‘t de sterkste van de drie.
Niets scheidt mensen van Gods liefde,
’t is altijd en onbegrensd.
Dus de mooiste wens ter wereld
is: ‘Gods liefde toegewenst’.

(Naar aanleiding van 1 Korintiërs 13 uit de bijbel: ‘Niets is sterker dan de liefde’)

© Hans Cieremans