de zeepbel

‘t Leven lijkt soms op een zeepbel,
voortgedreven door de wind.
Die zacht deinend op een briesje
kwetsbaar, broos zijn einde vindt.
Kleurloos is hij snel verdwenen,
als hij in de lucht vervaagt
en in druppeltjes uiteen spat
als de wind hem niet meer draagt.

Ook jouw leven was een zeepbel,
want de plannen die jij had,
zijn zoals een tere zeepbel
abrupt uit elkaar gespat.
Al je kleur heb je verloren,
die weerkaatste in het sop.
Maar de druppels die jij nalaat,
vang ik heel zorgvuldig op.

Want die druppels zijn de tranen,
die ik met jou heb gedeeld.
Ik bewaar ze tot ze droog zijn,
als de wond zich langzaam heelt.
Zie ik dan een zeepbel dansen,
die in ’t luchtruim kleurrijk zweeft.
Dan zie ik jou in gedachten,
een symbool dat verder leeft.

© Hans Cieremans

 

 

 

omaatje heeft Alzheimer

Mijn omaatje heeft Alzheimer,
ze is flink in de war.
Ze vraagt: ‘Ben jij er één van Nel
of ben jij soms van Mar?’
Dan zeg ik: ‘Lieve oma,
ik ben er één van Riet’.
‘Nee toch?’ antwoord oma dan,
‘k herkende je haast niet.

Nu je ’t zegt, zie ik het wel,
ik zie gelijkenis.
Zeg, kan jij me zeggen dan,
waar mijn dochter is?’
‘Mijn moeder was hier gisteren
en ze komt morgen weer.’
‘Gek toch hè?’ zegt omaatje,
‘dat weet ik nou niet meer’.

Dan drinken we een kopje thee
en oma vraagt: ‘Zeg Frans,
bevalt je nieuwe studie nog?’
Ik zeg:’ Bedoelt u Hans?
Ik werk in het gemeentehuis
en Hans is de student’.
‘O Ja? Ik weet het soms niet meer,
wat fijn dat jij er bent’.

Ik blijf nog even op bezoek,
omaatje geniet.
‘Ja, nu zie ik wie je bent,
je bent er één van Riet’.
En na ’t bezoek zegt omaatje
‘’t Was leuk hoor, dank je wel
en doe vooral de groeten thuis
aan je moeder Nel’.

© Hans Cieremans

 

 

troosten

Ik wil je troosten,
maar wat moet ik zeggen
bij jouw ontstellend verdriet.
Heel veel ‘waaroms’
zijn niet uit te leggen.
Woorden van troost vind ik niet.
Als ik wat zeg:
Het zal niet doordringen,
je hebt veel te veel op je bord
Ik kan je alleen
met mijn liefde omringen,
en woorden die schieten te kort

Laten we daarom
maar zwijgen en huilen,
zo delen we samen de pijn.
Laat mij je omarmen,
je mag bij me schuilen,
Ik hoop er voor jou steeds te zijn.
Deel zo met mij
je onmacht, je boosheid,
je wanhoop van het gemis.
Je radeloosheid,
je angst voor de toekomst,
je tranen die ik bij je wis.

Toch komt eens de tijd
met donkere nachten
dan ben je verdrietig, alleen.
Dan lig je vaak wakker
met al jouw gedachten,
en jij moet daar eenzaam doorheen.
Ik hoop dat de tijd
je wonden zal helen,
het leven je weer vreugde geeft.
Die tijd komt er vast,
als je vreugde kan delen
en pijn in je leven verweeft.

© Hans Cieremans

 

 

 

de schooljuffrouw

Ze heeft een eigen kamertje
met spulletjes van thuis.
Dat zorgt voor een vertrouwde sfeer
in het verpleegtehuis.
Haar eikenhouten kastje,
haar eigen luie stoel
en foto’s van haar kinderen.
het geeft een goed gevoel.

En als ze daar naar buiten kijkt,
dan zit ze eersterangs,
want elke ochtend doordeweeks
lopen er kindjes langs.
Die gaan dan naar de opvang toe,
ze volgt ze met een lach.
Geniet ze van het kleine grut
en zwaait ze blij gedag.

Vroeger was ze schooljuffrouw,
stond jaren voor de klas.
En als ze naar die kinders kijkt,
weet zij weer hoe dat was.
De tijd van toen dat weet ze nog,
de tijd van nu vervaagt.
Ze leeft met de herinnering,
die ze bij zich draagt.

Op de dag dut zij vaak in
op haar luie stoel.
Maar om een uur of vier ontwaakt
bij haar het oergevoel.
Dan gaan de kindjes weer naar huis
en is daar weer die lach.
Ze zwaait en kindjes zwaaien terug,
het geeft zin aan haar dag.

Zo zit ze in haar kamertje
met spulletjes van thuis.
Ze voelt zich veilig en vertrouwd
in het verpleegtehuis.
Haar dankbare herinnering,
beleeft ze nog intens.
Zij is ondanks haar dementie
een heel tevreden mens.

© Hans Cieremans

troostvlinder

Lief, klein kleurrijk vlindertje,
ontpopt uit je cocon,
wat fladder je hier vrolijk rond
in de zomerzon.
Soms zit je maar heel even stil,
op een ligusterheg.
Daar spreid je wijd je vleugels uit,
daarna vlieg je snel weg.

Lief, klein kleurrijk vlindertje,
dansend in de wind.
Je zijdezachte vleugeltjes
zijn zo fraai getint.
Ondanks je korte leventje,
maak je mensen blij.
Want als een mens verdrietig is,
dan fladder je voorbij.

Lief, klein kleurrijk vlindertje,
straks vlieg je naar het licht.
Ik kijk je na zolang ik kan,
dan raak je uit het zicht.
Jij bracht me in verwondering,
nadat je bent ontpopt.
Symbool van liefde en van troost,
van leven dat nooit stopt.

© Hans Cieremans

 

ontkenning

Langzaam ga je meer vergeten,
naarmate de tijd verstrijkt.
Ook al houd je goed de schijn op
waardoor alles beter lijkt.
En dan denken buitenstaanders:
‘Er is niet veel aan de hand’.
Maar intussen weet ik beter,
je valt vaker door de mand.

Juist veel alledaagse dingen
lukken je zo vaak niet meer.
Als ik jou daarop dan aanspreek,
dan ontken keer op keer.
En dan vind je mij een zeurpiet,
je vindt dat ik lastig word.
Maar ik zie het toch gebeuren,
dat jij anders bent sinds kort.

Je verbloemt al je tekorten,
je hebt smoesjes bij de vleet.
Zo verhul je steeds de waarheid
en dat je steeds meer vergeet.
Je gaat rustig autorijden,
dan houd ik mijn hart steeds vast.
Straks gebeuren ongelukken,
dan is Leiden echt in last.

Kennelijk heb jij geen inzicht
in jouw rotte ziektebeeld.
Soms lukt het je af te leiden,
wat me dan veel angsten scheelt.
Maar hoelang moet dit zo doorgaan,
wanneer word jij je bewust,
dat je steeds meer achteruitgaat?
Wanneer krijg ik weer wat rust?

© Hans Cieremans

 

gedachten

Ergens zweven jouw gedachten
in ’t oneindig groot heelal,
langzaam ben je ze verloren
en nu zijn ze overal.
Maar ik weet ze terug te vinden,
want er zijn er veel dichtbij.
In herinnering verankerd,
zijn ze veilig, hier bij mij.

Zo bewaar ik jouw gedachten,
op een plekje in mijn hart.
Dat alleen van jou en mij is,
van ons beiden, heel apart.
Soms zal ik ze met je delen,
op dat heldere moment.
Dan haal ik ze graag tevoorschijn,
als je samen met me bent.

En zo kunnen we genieten,
ook al is het niet als toen.
Maar met alles wat we delen,
gaan we leuke dingen doen.
Gaan we naar herinneringen,
waar de liefde is gestart.
Delen wij alle gedachten,
van ons samen, uit mijn hart.

© Hans Cieremans

de bedreigde ‘ik’

Hij gaat steeds vaker vergeten,
wordt zijn ‘ik’ langzaam bedreigd.
Bij de huisarts is hij angstig,
voor de uitslag die hij krijgt.
‘Misschien ben ik overspannen’
denkt hij, ‘’k hoop dat rust geneest.
Ik ben in mijn hele leven,
nooit afhankelijk geweest’.

De arts geeft hem een verwijzing,
hij moet naar de neuroloog.
Na een test krijgt hij de uitslag,
die er helaas niet om loog.
‘Alzheimer, de eerste fase,
u krijgt thuishulp binnenkort.
Ik hoop dat het lang stabiel blijft
en het niet snel erger wordt’.

Met die boodschap gaat hij huiswaarts,
hij is nog maar kort alleen.
Onlangs is zijn vrouw gestorven,
hij heeft niemand om zich heen.
Hij heeft twee volwassen kind’ ren,
maar die ziet hij niet zo veel.
De paniek en de prognose
grijpen hem hard bij de keel.

Hij mag wel thuis blijven wonen,
gaat naar dagbesteding toe.
Desondanks voelt hij zich eenzaam,
het gepieker maakt hem moe.
Want daar is alsmaar de dreiging,
van hoe Alzheimer verloopt.
Dat het niet te lang zal duren,
is wat hij hardgrondig hoopt.

© Hans Cieremans

 

het hoofddoekje

Zij komt uit het ver Marokko
zorgt hier voor een oude man.
Ze neemt stof af, zeemt zijn ramen.
Ja, ze doet echt wat ze kan.
Doet de vaten, wast zijn kleding
en zorgt voor zijn boterham.
En ze draagt daarbij  een hoofddoek,
want ze hoort bij de Islam.

Zij werkt hard bij de bejaarden,
dat geeft haar een goed gevoel.
En ze kan hier heel goed aarden,
al komt zij uit Istanbul.
Maar soms wordt ze uitgescholden,
als ze loopt door Rotterdam,
en dat komt dan door haar hoofddoek,
want ze hoort bij de Islam.

Zij werkt in de linnenkamer
van een groot verpleegtehuis.
In Irak is zij geboren,
maar ze voelt zich hier goed thuis.
Ondanks alle vieze klusjes
werkt ze hier al jaren lang
En ze draagt daarbij een hoofddoek,
want ze hoort bij de Islam.

Wie zorgt straks voor onze oudjes?
Want die zorg schiet tekort.
Iedereen die zou toch willen
dat de zorg weer beter wordt.
Dan zijn er gelukkig mensen,
die ons helpen waar het kan.
En die dragen vaak een hoofddoek,
want ze zijn van de Islam.

© Hans Cieremans