Het mooiste kerstcadeau

Met een bitterballetje,
en een glaasje advocaat,
zit ze bij het stalletje.
dat naast de kerstboom staat.
De lichtjes branden in de boom,
met zijn gouden piek,
ze lepelt gulzig van de room
en er klinkt kerstmuziek.

Zij geniet, dat kun je zien,
maar waar denkt ze aan?
Is dat aan vroeger tijd misschien?
Ze oogt zo blij, voldaan.
Is het de herinnering,
aan kerst met haar gezin?
Het lijkt op een bespiegeling,
dit geeft haar leven zin.

Ze zit tevreden bij de boom,
een beeld dat mij diep raakt.
Even uit haar boze droom,
die haar verdrietig maakt.
Mij herkent ze soms niet meer,
maar smullend uit haar glas,
zie ik mijn moeder even weer,
hoe ze vroeger was.

Met een bitterballetje,
en een glaasje advocaat,
zit ze bij het stalletje.
dat naast de kerstboom staat.
Ik laat haar rustig zitten zo,
ik stoor haar niet vandaag,
dit is mijn mooiste kerstcadeau
en morgen kom ik graag.

© Hans Cieremans

de lichtjes in je ogen

‘k Mis de lichtjes in je ogen,
die ik vroeger bij je zag,
flonkerend als kerstboomlichtjes,
op een donk’ re winterdag.
Lichtjes die me zoveel zeiden,
waar ik steeds in heb geloofd,
ze zijn plotseling verdwenen,
zijn voor altijd uitgedoofd.

Het is nu weer bijna Kerstmis,
lichtjes schijnen overal.
als symbool van een nieuw leven,
van een Kindje in een stal.
Kerst dat maakt de mensen hoopvol,
licht komt in de duisternis.
Maar waar zijn dan toch de lichtjes,
die ik in je ogen mis?

‘k Mis de lichtjes in je ogen,
Kerst is anders dan voorheen.
Maar ik voel nog wel je warmte,
samen zijn we niet alleen.
We genieten van de lichtjes,
in de Kerstboom en de stal.
Wetend dat ons liefdes-lichtje
nooit te nimmer doven zal.

© Hans Cieremans

Martha, de vrijwilligster

Martha deed vrijwillig werk
in een nieuw verpleeghuis.
‘t Was gevraagd vanuit de kerk,
Martha voelde zich er thuis.
Zij bezocht er de cliënten,
dronk een kopje koffie mee.
Dankbaar en het kost geen centen
en stemt menigeen tevree.

Wat een vrouw, wat een prachtig mooi voorbeeld
van wat aan veel mensen ontbreekt.
Ja, zo’n vrouw dat is nu een toonbeeld,
waarvan elke dominee preekt.
Biedt warmte en ook naastenliefde,
want daarom draait het nu net.
En het hoeft ook niets meer te kosten,
dan eens per jaar een kerstpakket.

Martha hielp bij ‘t eten geven,
etenstijd was altijd druk.|
Bracht wat vreugde in het leven,
en dat gaf ook wat geluk.
Bingo spelen, Bijbelkringen,
Martha deed het allemaal.
Voorlezen en liedjes zingen,
Martha vond het heel normaal.

Wat een vrouw, wat een prachtig mooi voorbeeld
van wat aan veel mensen ontbreekt.
Ja, zo’n vrouw dat is nu een toonbeeld,
waarvan elke dominee preekt.
Biedt warmte en ook naastenliefde,
want daarom draait het nu net.
En het hoeft ook niets meer te kosten,
dan eens per jaar een kerstpakket.

Nu is Martha tachtig jaren
en voelt zich nog reuze sterk.
Zij is niet meer te bedaren,
doet nog steeds vrijwil’ gerswerk.
Iedereen is haar erg dankbaar,
maar toch wordt ze slecht beloond.
En toch staat zij voor iedereen klaar,
in het huis waar zij nu woont

Wat een vrouw, wat een prachtig mooi voorbeeld
van wat aan veel mensen ontbreekt.
Ja, zo’n vrouw dat is nu een toonbeeld,
waarvan elke dominee preekt.
Biedt warmte en ook naastenliefde,
want daarom draait het nu net.
En het hoeft ook niets meer te kosten,
zelfs niet eens meer ………een  kerstpakket.

© Hans Cieremans

Zorgplicht discussie

Zijn vrouw is dement,
ligt in het verpleeghuis,
hij gaat er elke dag heen.
Het werd hem te zwaar,
het werd een probleem thuis,
nu voelt hij zich eenzaam, alleen.
Toen kreeg hij contact
met een aardige dame,
zij kwam op bezoek bij haar man.
Het klikt tussen beiden,
ze praten veel samen
en steunen elkaar waar het kan.

Ze maakten een afspraak
om samen te eten.
Zij kookte en hij kwam bij haar.
Ze hadden het fijn
en heerlijk gegeten,
ze werden verliefd op elkaar.
Het voelde heel goed,
maar zou dit niet fout zijn?
Het voelt immers ook als verraad.
Want dit hoort toch niet,
omdat ze getrouwd zijn,
waardoor hun relatie niet gaat.

Toen spraken ze af:
‘We zijn dikke maatjes’.
Maar dat had heel weinig zin.
Het bleef niet bij
oppervlakkige praatjes
en hij trok al snel bij haar in.
Ze deelden verdriet
en gingen steeds samen
naar hun partners op zaal.
En mensen die zeiden:
’Ze moeten zich schamen,
hebben zij wel een moraal?’.

Zo wordt er geroddeld,
men vindt het schandalig,
verwerpelijk en ongepast
Alleen de gedachte
vindt men al onzalig,
al zijn ze nog zo zwaarbelast.
‘Je zorgt voor je partner’,
zeggen de mensen,
‘ook op het zinkende schip.’
Overschrijdt zorgplicht
misschien alle  grenzen
of bestaat hiervoor begrip?

© Hans Cieremans

 

het kan ook mij overkomen

Als ik niet meer word begrepen,
ik mezelf ook niet meer snap.
Als ik langzaam uit mijn leven
mijn herinneringen schrap.
Gaat mijn waardigheid verloren,
heb ik ongeremd gedrag.
Blijf dan altijd aan me denken,
zoals jij me vroeger zag.

Als ontreddering mij bang maakt,
ik niet meer als vroeger ben.
Als ik in de levensspiegel
zelfs mezelf niet meer herken.
Als de dementie ooit toeslaat,
waarvoor menigeen zo vreest.
Blijf dan altijd aan me denken,
zoals ik eens ben geweest.

Want al word ik misschien anders,
‘k heb je nodig om me heen.
Geef dat kleine beetje houvast,
laat mij juist dan niet alleen.
Blijf me liefdevol vertellen,
zie me niet slechts als probleem,
probeer mij gerust te stellen,
tot ik afscheid van je neem.

© Hans Cieremans

belevingsgericht tuinieren

Hij was altijd een buitenmens,
zijn passie was de tuin.
Hij investeerde jaarlijks aan
zijn planten een fortuin.
Zijn tuin had echt een topdesign,
met een mooi terras
en met een strak gazonnetje
van onkruidvrij groen gras.

Hij was in huis haast nooit te zien,
want al zijn vrije tijd,
was hij bezig in zijn tuin,
actief en toegewijd.
Maar hij werd vergeetachtig,
Alzheimer sloeg toe.
En zijn tuin werd langzaamaan,
een ware ratjetoe.

Hij moest naar het verpleegtehuis,
daar was een binnentuin
met een bak vol bloemetjes,
maar ook met heel veel puin.
De dagbesteding zorgde toen,
dat hij gereedschap kreeg.
En zo maakte hij die tuin,
van puin en onkruid leeg.

Op een dag, het regende,
het kwam met bakken neer.
Maar hij ging werken in de tuin,
ondanks het slechte weer.
Daar heeft hij in de regenbui
een gieter opgezocht.
drijfnat gaf hij de bloemetjes
zo nog wat extra vocht.

© Hans Cieremans

 

Met Kerst alleen

Waarom zou ik Kerstfeest vieren,
ik ben helemaal alleen?
‘k Heb geen zin om te versieren
en wil liever nergens heen.
Ik ga wel naar het verpleeghuis,
waar mijn man verblijft sinds kort .
Maar ik ga niet naar de viering,
omdat ik dan treurig wordt.

O, er zijn voldoende mensen,
die me vragen voor ’t  diner.
Maar ik voel me niet gezellig,
dus ik doe daar niet aan mee.
Nee, laat mij gewoon maar zitten,
niemand ziet me op de bank.
Dan kan ik gewoon mezelf zijn,
als ik om mijn maatje jank.

Ik wil niemand tot een last zijn,
dit jaar Kerst is niets voor mij.
‘k Zie er nu al tegenop hoor,
was die Kerst maar weer voorbij.
Nee, ik wil beslist niet klagen,
ik heb doodgewoon verdriet.
En die poespas van het Kerstfeest,
heb ik dit jaar liever niet.

Als ik ergens op bezoek ga,
ben ik één stuk chagrijn.
En bij feestvierende mensen
wil ik niet spelbreker zijn.
Iedereen is even lief hoor,
daar ontbreekt het echt niet aan.
‘k Ben niet zielig, wel verdrietig,
dus laat mij mijn gang maar gaan.

© Hans Cieremans

Maakbaarheid

Wereldwijd berichten delen,
skypen, twitteren en mailen,
online shoppen, online spelen,
powerpoint met mooie sheets.
Surfen, gamen en bankieren
of een partner gaan versieren,
de techniek kan hoogtij vieren,
de vooruitgang staat voor niets.

Maakbaar maken van het leven,
dat past in ons welvaartsstreven.
Heel de mensheid wordt gedreven,
tot waar sky de limit is.
Ruimte vol met satellieten,
breken van de tijdslimieten,
toch is maakbaarheid een mythe,
al sinds mensenheugenis.

Want de mensheid is beperkt
en die mening wordt versterkt,
als je de tekorten merkt
in het dagelijks journaal.
Honger, oorlog, ongelukken,
rampen waar we onder bukken,
toekomstdromen gaan aan stukken,
dat zien wij toch allemaal.

Men kan technisch innoveren
en ook optimaliseren.
Maar we moeten accepteren,
maakbaarheid dat heeft een grens.
Ondanks knappe professoren,
gaat het leven eens verloren
en dat weet je van tevoren,
’t is het lot van ieder mens.

© Hans Cieremans

De waterstoker

Vroeger liep hij op sandaaltjes,
in zijn veel te korte broek,
met een stuiver in zijn handje,
naar een winkel op de hoek.
Daar mocht hij wat uit gaan zoeken,
polkabrokken of zoet hout
of zwart-wit om op te likken,
grote droppen dubbelzout.

‘t Winkeltje, de waterstoker
werd gerund door een meneer
in een lange witte stofjas.
‘t Winkeltje bestaat niet meer.
Daar zit nu al lang een snackbar,
waar de jeugd zich samen klit.
Maar nog steeds als hij er langs loopt
denkt hij t’ rug aan zijn zwart-wit.

Eens was hij een kleine jongen
droprestanten om zijn mond,
blij met een Bazooka plaatje,
dat hij bij de kauwgom vond.
Ach, zo was dat na de oorlog,
die was nog maar net voorbij.
Wie weet nu nog van het snoepgoed
uit de waterstokerij?

En als hij zo zit te mijm’ ren,
komt zijn kleinzoon op bezoek.
Op zijn stoere jongensschoenen
in een hippe lange broek.
‘Opa, lust je een patatje?
en zo ja, zeg dan maar hoe,
wil je een patatje oorlog?
Ik ga naar de snackbar toe’.

© Hans Cieremans

Wat doen we met moeder met de Kerst?

Wat doen we met moeder
straks met het kerstfeest?
We zijn allemaal bij elkaar?
Ieder jaar weer,
zit ik met die kwelgeest,
het is ook belastend voor haar.
Maar pa wil het graag,
het is ingewikkeld,
hij heeft haar zo graag bij ons thuis
Maar door al die drukte
wordt zij overprikkeld,
is zij beter af in dat huis.

Ze vraagt zoveel aandacht,
vooral van mijn vader,
het is voor de stemming heel slecht.
Want als hij niet luistert,
dan wordt ze steeds kwader,
als hij niet doet wat zij zegt.
En bij het kerstmaal
helpt hij haar met eten,
geen tijd voor zijn eigen diner.
Zeg ik er iets van,
dan laat hij me weten:
‘Bemoei jij je daar nou niet mee’.

Mijn man en de kinders
worden chagrijnig.
Ieder jaar zie ik dat weer.
En ik word verdrietig
en eet nog maar weinig.
Het kerstmaal smaakt mij ook niet meer.
Toch kan ik het niet
over mijn hart verkrijgen,
dat ma er met kerst niet bij is.
Want ook dan zal mij
het eten niet smaken,
omdat ik haar vreselijk mis.

Wat doen we met ma,
straks met het kerstfeest,
we zijn allemaal bij elkaar?
Ieder jaar weer
zit ik met die kwelgeest,
zit met mijn handen in ’t haar.
Straks is het kerst,
zal ik moeder vragen?
Houd ik gewoon mijn fatsoen?
Ik weet het niet meer,
ik wil ook niet klagen.
Wat moet ik met moeder nou doen?

© Hans Cieremans