pa

pa

Ik zie je blik,
hulploos, ontredderd.
Een vlek op je trui,
Je kliedert, je kleddert.
Je handen trillen,
wat zou je willen?
Je murmelt wat woorden,
je confabuleert.
Ik snap je niet,
begrijp je verkeerd.
Dan geef je het op,
je ogen die sluiten.
Je leeft in jouw wereld
en ik sta daar buiten.

Maar ik blijf bij je,
ik blijf naar je kijken.
Hoe kan ik jou
in jouw wereld bereiken?
Je zit daar gevangen,
een traan op je wangen.
Ik veeg wat speeksel
weg van je kin.
Wat is dit voor leven?
Wat heeft dit voor zin?
Ken je me nog?
Ik zou het niet weten.
Ik denk aan vroeger,
jij lijkt mij vergeten.

Dan stap ik op,
een zoen op je wagen.
Ik ben verdrietig,
door weemoed bevangen.
Nog één keer omdraaien
nog eventjes zwaaien.
Dan ga ik verder,
jij bent me kwijt.
Kon ik maar even
terug in de tijd.
Dat jij nog één keer
die vader zou wezen,
die stoeide en speelde
en voor zat te lezen.

Ik ben weer thuis,
mijn kinderen komen.
Gezellig eten,
gezellig bomen.
Dan zie ik de beelden
hoe zij met me speelden.
Toen ik met ze stoeide,
ik las ze vaak voor.
Het maakt me gelukkig,
ik heb het nog door
Dan denk ik: ‘Pa,
de zin van jouw leven,
is dat ik jouw liefde
mijn kind’ ren kan geven.

© Hans Cieremans