telefoon 3

wanneer zie ik je weer?

Moeder belde dagelijks
misschien wel twintig keer.
Telkens met dezelfde vraag:
´Wanneer zie ik je weer?’
Ik ging drie keer in de week
naar mijn moeder toe.
Ik zou wel vaker willen gaan,
maar ‘k wist beslist niet hoe.

Het mantelzorgen viel me zwaar,
het werd me soms te veel.
Nog vaker naar mijn moeder toe,
dat was echt niet reëel.
Toen ging moeder achteruit,
het ging ineens heel gauw.
Ze huilde aan de telefoon:
‘Zeg, wanneer kom je nou?’

‘Moeder, ik ben net geweest,
echt ik kom weer snel’.
Ik had nog niet neergelegd
of daar ging weer de bel.
Ik dacht: ‘Zal ik hem laten gaan,
ze belt me toch voor nop?’
Maar ja, voor alle zekerheid,
nam ik hem toch weer op.

Moeder werd uit huis geplaatst,
het ging met haar heel slecht.
Mij bellen lukte haar niet meer,
daar kwam niets van terecht.
Het gaf mij eindelijk wat rust,
maar het deed ook zeer.
Ik miste elke dag haar stem:
‘Wanneer zie ik je weer?’

Ze leefde nog een maand of drie,
het voelt nu heel erg leeg.
Ik wou dat ik nog ik dagelijks
haar telefoontjes kreeg.
Haar telefoontje ligt nu hier,
mijn moeder belt niet meer.
Ik pak hem op en spreek erin:
‘Wanneer zie ik je weer?’

© Hans Cieremans