advocaatje4

Het biertje en het advocaatje

Hij dronk dagelijks een biertje,
dat hielp goed tegen de dorst.
Dan nam zij een advocaatje,
blokje kaas, een plakje worst.

Hij keek naar de televisie
en zij las in de Margriet.
En ze lachten naar elkander:
‘Wat gezellig, ik geniet’.

Heel tevreden met hun leven
vierden zij hun oude dag,
totdat hij meer ging vergeten
en ook vreemde dingen zag.

Plotseling werd alles anders,
dementie werd vastgesteld.
En hij werd toen noodgedwongen
bij ‘t verpleeghuis aangemeld.

Daar geeft zij hem nu zijn biertje,
dat helpt goed tegen de dorst.
Uit een meegenomen bakje,
geeft ze hem wat kaas en worst.

Straks dan gaat ze weer naar huis toe,
voor het donker, niet te laat.
Eenzaam kijkt ze televisie,
met haar glaasje advocaat.

En dan denkt ze aan haar maatje,
die haar zoveel liefde gaf.
Drinkt nog wel haar advocaatje,
maar de slagroom is er af.

┬ę Hans Cieremans