Verlaten straten

Dolend door verlaten straten,
waar geen mens jouw taal meer spreekt.
Waar de klok tikt zonder wijzers
en herinnering verbleekt.
Waar de wolken voor de zon gaan
en de mist naar binnen dringt.
Daar loop jij dwangmatig zoekend,
omdat angst tot lopen dwingt.

In die straten zijn geluiden,
zijn de deuren in het slot.
Zijn er allerlei obstakels
en gaat levensvreugd kapot.
Daar kun jij alleen maar verder,
straten terug zijn geblokkeerd.
Loop jij in een mist van tranen,
die een toekomstdroom blindeert.

Dolend door verlaten straten
lopen mensen om je heen.
Die de weg wel willen wijzen,
maar toch loop je daar alleen.
In die straten vol met kuilen,
dringt een lichtstraal haast niet door.
Elke voetstap is er eentje
op jouw eenzaam, angstig spoor.

Dolend door verlaten straten,
waar geen mens jouw taal meer spreekt.
Waar de klok tikt zonder wijzers
en herinnering verbleekt.
Daar zal eens de zon doorbreken,
en gebeurt waar je op hoopt.
Zullen ze jouw taal weer spreken,
als er iemand naast je loopt.

© Hans Cieremans

Helpende handen

Helpende handen,
die slaan en die knijpen,
zijn handen vol onmacht,
die jou niet begrijpen.
Ze trekken aan haren,
als jij moet bedaren.
Ze vinden je lastig
of vinden je ‘gek’
Ze geven een krabbel,
of een blauwe plek.
Ze vinden dat jij
moet stoppen met zeuren.
Ze werken heel stiekem,
wat mag niet gebeuren.

Heel veel vindt plaats
onder een deken.
En jij kunt niet meer
of durft niet te spreken.
Helpende handen,
zijn zo een schande.
Helpende handen,
die staan dan verkeerd.
Dan doen ze niet,
wat ze hebben geleerd.
Zo’n hand doet gemeen,
sneaky verborgen.
Want als ze echt helpen,
dan gaan ze verzorgen.

Helpende handen,
die geven je eten.
Ze helpen bij dingen,
die jij bent vergeten.
Wassen en kleden,
aandacht besteden.
Ze bieden je warmte,
troost, veiligheid.
Helpende handen,
verlichten je strijd.
Helpende handen,
zullen je dragen.
Nooit is een mens
door die handen geslagen.

© Hans Cieremans

 

Zuster, waar ben je?

Alweer een ZZP-er,
alweer een uitzendkracht,
alweer een nieuwe zuster,
die werkt hier in de nacht.
Een onbekende ‘flexer’
uit een banenpoule.
Waar is die vaste zuster nou?
Het geeft zo’n naar gevoel.

Waar is toch die vertrouwde,
lieve vaste kracht?
Ze kennen mij alleen nog maar
van een overdracht.
Er wordt zo vaak gewisseld.
Waar is mijn  privacy?
Want daar ben ik op gesteld,
al heb ik dementie.

Wie is die vreemde dame,
die mij vanochtend wast?
En die ik daar zie rommelen
in mijn kledingkast?
Ach ja, ze doet best aardig,
maar wat weet zij van mij?
Ze geeft koffie met suiker,
maar ik ben suikervrij.

Ze leest ook in mijn status,
dat gaat haar toch niks aan.
Waar zijn al die zusters toch,
met een vaste baan?
Die voor mij willen zorgen,
spontaan en creatief.
Niet werkend volgens regeltjes,
maar warm, vertrouwd en lief.

© Hans Cieremans

 

Ongedeeld verdriet

We hebben heel veel meegemaakt,
we hadden het niet breed.
Maar met alle ups en downs,
deelden wij lief en leed.
We kenden geen geheimen,
we werden samen oud.
Zo zijn we met elkaar vergroeid,
heel veilig en vertrouwd.

Het leven lachte ons vaak toe,
we waren kerngezond.
Al hadden we maar weinig geld,
we kwamen toch goed rond.
We kregen lieve kinderen,
dat was een groot geluk.
Maar ondanks huiselijk geluk,
gaat nu toch alles stuk.

Want jij werd vergeetachtig
en raakte heel verward.
Jij was niet meer dezelfde man
en o, het ging zo hard.
Jij leeft nu in jouw wereldje
en ik in die van mij.
Delen van het lief en leed,
dat is er niet meer bij.

Zo groeien wij toch uit elkaar
en dat doet heel veel pijn.
Ach, zoals het vroeger was,
zo zal het nooit meer zijn.
Wij huilen samen heel wat af,
’t is ongedeeld verdriet.
Want ik zie het jouwe wel,
maar jij het mijne niet.

© Hans Cieremans

Schuilen

Als de wolken voor de zon gaan
en het zware onweer dreigt.
Als de lucht dan diep gitzwart wordt
en de donder niet meer zwijgt.
Als de regenbui dan losbarst
en de inslagen zijn zwaar,
dan wil ik graag naar jou vluchten,
wil ik schuilen voor gevaar.

Als de storm niet wil gaan liggen,
door blijft gieren in de nacht.
Als die stormwind mij beangstigt,
door zijn ongekende kracht.
Als de wind alles uiteen rukt,
als een leeuw doet met zijn  vangst,
dan wil ik graag naar jou vluchten,
wil ik schuilen voor mijn angst.

Als de mist niet op wil trekken
mij belemmert in het zicht.
Als de wereld dan heel klein wordt,
somber, grijs en zonder licht.
Als de mist me laat verdwalen,
in de ijselijke kou.
Dan wil ik wel naar jou vluchten,
wil ik schuilen dicht bij jou.

Maar……..

Als de wolken eens wegtrekken
en de zon opnieuw weer schijnt.
Als de storm weer is gaan liggen,
donder en de mist verdwijnt.
Dan zal ik niet meer verdwalen
en niet bang zijn voor gevaar.
Dan hoef ik niet meer te vluchten,
zijn we veilig bij elkaar.

© Hans Cieremans

 

Witte ballon

Door een zacht briesje de lucht in gedreven,
danst een witte ballon.
Een briefje er aan, waar jouw naam staat geschreven,
fladdert het richting de zon.
Witte ballon met dat piepkleine briefje,
in ’t blauwe decor van de lucht.
Vindt zo zijn weg naar het licht toe mijn liefje,
nu je de aarde ontvlucht.

Witte ballon dansend over de bomen,
over het land en de zee.
Eens zal je op je bestemming aankomen,
het windje voert je wel mee.
Witte ballon naar de hemel gezonden,
het is vast een boeiende reis.
Ik hoop naar een plek, waar de rust wordt gevonden
in een verdiend paradijs.

Witte ballon symbool van jouw leven,
vol liefde, kwetsbaar, spontaan.
Mijn hart roept jouw naam op het briefje geschreven,
ik laat je met tegenzin gaan.
Ik heb je zolang als ik kon nagekeken,
jij gaat het licht tegemoet.
Je vliegt van me weg, maar het touw zal nooit breken.
Ik huil, maar geloof ook: ‘t Komt goed.’

Witte ballon eens zal je neerdalen
in ’t land van vrede en rust.
Ik wacht op de dag dat je mij op komt halen
en mij weer hartstochtelijk kust.
Eens komt die dag, zo wil ik geloven,
vlieg ik als een witte ballon.
Naar waar jij bent, ergens hier boven.
Wacht op mij lief tot ik kom.

© Hans Cieremans

Spreekuur

‘Dit medicijn kan genezing niet brengen,
want u bent immers dement.
Het kan wel een beetje uw leven verlengen’,
zei de arts tot zijn patiënt.

‘De bijwerking die de pillen soms geven,
die neemt u daarbij maar voor lief,
ik heb ze al vaak genoeg voorgeschreven.
Ze maken soms wel depressief.

Ik adviseer u om niet meer te drinken,
alcohol dat is funest.
En laat u vooral de moed nog niet zinken,
het lukt u vast, doe uw best.

En als ik u was: Ga met roken stoppen
en eet niet te zout en te vet.
U weet, u mag altijd bij mij aankloppen.
O ja, ga op tijd naar uw bed.

Zo kunt u aan ’t leven nog dagen bijplakken
met regelmaat, reinheid en rust.
Blijf optimist, zit niet neer bij de pakken.
Ja, de drie R’s zijn een must.

Nou, dag meneer ik wens u veel sterkte,
graag tot de volgende keer
Dan hoor ik wel of de pillen goed werkten,
dan praten we samen wel weer’.

Toen zei de man: ’Hoort u eens even,
als ik nu haast niks meer mag.
Plak ik liever geen dag aan mijn leven,
maar levensplezier aan mijn dag’.

© Hans Cieremans

Loslaten

Ik weet dat ik los moet laten,
maar ik houd je stevig beet.
Omdat ik zo wil voorkomen,
dat jij meer en meer vergeet.
Ik kan maar niet accepteren,
dat jij dit gevecht verliest.
Want het is zo onrechtvaardig,
omdat niemand hier voor kiest.

Maar het is ook onafwendbaar,
‘k zie dat het steeds slechter gaat.
Ik neem steeds meer beetjes afscheid,
van mijn steun en toeverlaat.
‘Dit laten wij ons nooit gebeuren’,
dat bedachten we ooit saam.
Maar jij kan niets meer beslissen,
je bent niet meer wilsbekwaam.

En zo moet ik wel aanvaarden,
wat zo onaanvaardbaar is.
Maar bij onze tegenslagen,
namen wij die hindernis.
Daarom weet ik nu ook zeker,
wij slaan ons hier ook doorheen.
‘k Laat je los, terwijl ik vasthoud,
want ik laat je nooit alleen.

© Hans Cieremans

 

Jij

Vroeger was jij spontaan, levenslustig,
toegewijd, zorgzaam en lief.
Het is nu zo anders, je bent vaak onrustig,
angstig en soms agressief.
Je wordt boos op mij, je bent ongeduldig,
ik doe volgens jou alles fout.
Ik weet hoe het komt, maar soms voel ik me schuldig.
Weet jij nog, dat ik van je houd?

Je had zoveel humor, je relativeerde,
alles kon, niets was te veel.
Tot men dementie bij jou constateerde,
toen kwam het grote verschil.
Weg was je humor, ik zag enkel tranen,
je wanhoop, ik raakte je kwijt.
Jij trok je terug van het lieve, spontane,
in angst en in onzekerheid.

Nu zie ik jou, als een hoopje ellende,
besef jij wel hoe mij dat raakt?
Waar is de tijd, dat wij elkaar kenden
toen jij mij geluk hebt gemaakt/
Ik houd van jou, maar ik moet je zeggen,
je bent er, maar toch ook niet meer.
Ach, mijn gevoel kan ik jou niet uitleggen,
maar ’t doet me onnoemelijk zeer.

© Hans Cieremans

De zorgboerderij

Hij bezocht op donderdag
de zorgboerderij.
Zorgde voor de groentetuin
en de dieren in de wei.
Hij vond het er geweldig,
genoot naar hartenlust
Door de frisse buitenlucht,
kwam hij totaal tot rust.

Vegen was zijn eerste taak,
het erf moest zonder troep.
En als hij mensen tegen kwam
hield hij een ‘praatje poep’.
Hij voerde ook de kippen
en de geitjes in de stal.
En iedereen herkende hem
in zijn overall.

En ook in de groentetuin
was hij altijd actief.
Dat hij daar soms smerig werd,
dat nam hij maar voor lief.
Het kon hem echt niks schelen,
hij wou naar buiten toe.
Al goot het pijpenstelen daar,
al werd hij ook doodmoe.

Onlangs op een donderdag,
het regende flink door,
trok hij zijn groene laarzen aan,
hij wou naar buiten hoor.
Daar maakte hij een gieter vol
en ondanks dat het goot,
begoot hij ook de groentetuin,
maar ach, de man genoot.

© Hans Cieremans