Slapeloze nachten

Ik lig naast jou, maar ik kan niet slapen,
dromen die spatten uiteen.
Samen in bed en ik tel de schapen,
samenzijn voelt zo alleen.
Ik kijk naar jou, je ligt daar te woelen,
onrustig, de nacht duurt nog lang.
Ik vraag me af hoe jij je zal voelen,
ben jij net als ik ook zo bang?

Ik draai me om, het is buiten donker,
maar toch doe ik nog geen oog dicht.
Ik zie de maan en wat sterrengeflonker,
nog even, dan wordt het weer licht.
Als ik haast slaap, word jij ineens wakker
en strompel je naar het toilet.
Dan ben je de weg kwijt, wat ben je een stakker,
ik breng je dan weer naar je bed.

De nacht is voorbij en ik ben gebroken,
het wordt weer een loodzware dag.
Onlangs heb ik met de huisarts gesproken,
dit is een uitputtingsslag.
Hij gaf me wat pillen om rustig te maken,
ze maken me traag en ook sloom.
Hoewel ik niet slaap, wanneer zal ik ontwaken
uit deze angstige droom?

© Hans Cieremans

 

De draad oppakken

Hoe zal ik de draad oppakken,
als jij straks er niet meer bent?
‘k Wil de moed niet laten zakken,
maar ik denk dat het nooit went.
Hoeveel tijd zal jou nog resten?
Dokter zei: ‘Misschien een jaar’.
Niet te lang, dat lijkt het beste,
want je hebt het nu heel zwaar.

Jij leeft in je eigen bubbel
en ik zie alleen verdriet.
Maar het voelt voor mij ook dubbel,
want jou missen wil ik niet.
Zelfs al moet ik voor je zorgen,
zelfs nu jij me niet herkent.
Vrees ik voor de dag van morgen,
dat je niet meer bij me bent.

Want na jaren alles delen,
dreigt voor mij een groot zwart gat.
Tijd moet dan de wonden helen,
dat is moeilijk, lieve schat.
Maar als ik het moet geloven,
voel ‘k je altijd om me heen.
Als jij naar me kijkt, hierboven,
dan ben ik toch niet alleen.

Hoe zal ik de draad oppakken,
als jij straks er niet meer bent?
‘k Wil de moed niet laten zakken.
Ach, tijd zal leren of het went.
Hoeveel tijd zal jou nog resten?
Maximaal misschien een jaar,
daarvan maken wij het beste.
Nog heel even bij elkaar.

© Hans Cieremans

 

 

Moeders verjaardag

Gist’ ren was mijn moeder jarig,
al haar kind’ ren zijn geweest.
Met cadeautjes, taart en bloemen,
een intiem, gezellig feest.
Maar vanmorgen belde moeder,
ongeveer om kwart voor tien.
En ze vroeg: ‘Waar zijn mijn kind’ ren?
‘k Heb ze zolang niet gezien’.

Ik zei: ‘Moeder, u was jarig.
Gisteren, weet u nog wel?
Iedereen kwam op de koffie,
u genoot van ’t hele stel.
Kijk maar eens naar al die bloemen,
die nu in uw kamer staan.
En we bleven bij u lunchen,
daarna zijn we weg gegaan’.

Moeder was meteen verdrietig
en vroeg huilend naar haar zoon.
‘Ma, hij heeft u toegesproken,
dus hij was er ook gewoon’.
‘O, wat vind ik dat vervelend,
dat ik dat nou niet meer weet.
Ik moet maar eens naar de dokter,
omdat ik zo snel vergeet’.

Moeder hing de telefoon op,
belde weer op tien voor vijf.
Ze zei dat ze op me wachtte,
vraagt zich af waar ik nu blijf.
‘Wij hadden toch afgesproken
en weet jij ook heel misschien,
waar mijn kind’ ren zijn gebleven?
‘k Heb ze zolang niet gezien’.

© Hans Cieremans

 

 

 

Familieruzie

Ruzie over moeders spullen,
waar haar gouden ring nou is?
Ruzie over zakken vullen
of de hele erfenis.
Over wat is afgesproken,
onbegrip en misverstand.
De familieband gebroken,
zo loopt alles uit de hand

Ruzie over de verpleging
of een ziekenhuisbezoek.
Wie er nou met moeder meeging,
een verdwenen fotoboek.
Ruzie over de sedatie
of een giro-envelop.
Ruzie over de crematie
en zo loopt de spanning op.

Moederlief zal weldra sterven,
houdt van ieder evenveel.
En wie wat van haar zal erven?
Iedereen krijgt toch zijn deel?
En als moeder is gestorven,
aan het einde van haar strijd,
wordt de plechtigheid bedorven,
door iemands afwezigheid.

Toch voelt niemand zich echt schuldig,
iedereen wijst naar elkaar.
Vindt zichzelf ook heel zorgvuldig,
want wat ‘ik’ zeg dat is waar.
Moeder heeft dit nooit geweten,
blijft gevrijwaard van die straf.
En o ja, niet te vergeten:
Haar ring draagt ze in het graf.

© Hans Cieremans

Spreken is zilver, maar zwijgen is ………….

Hoe vertellen wij,
wat wij bedoelen.
Wat zij niet begrijpen,
maar wel kunnen voelen.
Spreken voldoet niet,
taal die tekortschiet.
Woorden verdwijnen
zonder effect.
Tot onze glimlach
door hen wordt ontdekt.
Dan breken wij door
in hun onvermogen.
Want zie, zij verstaan
onze sprekende ogen.

Hoe vertellen wij,
wat wij bedoelen.
Wat zij niet begrijpen,
maar wel kunnen voelen.
Zinnen verbleken,
bij al ons spreken.
Het zijn holle klanken,
zonder affect.
Tot onze warmte
door hen wordt ontdekt.
Dan breken wij door
in hun eenzaam leven.
Verstaan zij de sfeer,
die warmte kan geven.

Zo vertellen wij,
wat wij bedoelen.
Wat zij niet begrijpen,
dat laten we voelen.
Taal van het lichaam,
zichtbaar en heilzaam.
Taal van muziek,
de taal van de sfeer.
Taal van de aandacht,
dat daalt bij hen neer.
Zo breken wij door
zelfs als je niets zegt
en kiest voor de taal,
waarmee je contact legt.

© Hans Cieremans

Het is wat het is

Al jouw woorden die me troosten,
zijn heel lief en goed bedoeld.
Maar als jij dit zelf niet meemaakt,
weet je echt niet hoe het voelt.
Maar ik neem je dat niet kwalijk,
want het is zoals het is.
Woorden kunnen niet beschrijven,
hoe het voelt dat ik  hem mis

Nachtenlang lig ik soms wakker
en dan pieker ik me suf.
Ik slaap weinig, doodvermoeiend,
op de dag dan ben ik duf.
Mijn lief ligt in een verpleeghuis,
want thuis ging het echt niet meer.
Maar soms voel ik me ook schuldig.
Dat hij daar is, dat doet zeer.

Maar jouw woorden die me troosten,
die verzachten wel de pijn.
Dat jij mijn verdriet wilt delen,
dat waardeer ik, dat is fijn.
En als ik dan ’s nachts weer pieker,
denk ik ook aan wat je zei:
‘Het gemis zal altijd blijven,
maar de pijn gaat ooit voorbij’.

Dat wil ik heel graag geloven,
maar zover ben ik nog niet.
Jij zegt: ‘Tijd heelt alle wonden,
dus ook wonden van verdriet’.
Ach, de tijd zal het me leren,
troost ik and’ ren goed bedoeld.
Maar het litteken zal blijven,
want ik weet nu hoe het voelt.

© Hans Cieremans

 

Tijdloos

Niets meer om naar uit te kijken,
plannen maken lukt niet meer.
En de tijd, die heelt geen wonden,
tijd verdwijnt en dat doet zeer.

’t Leven kent nog slechts momenten,
een beleven, hier en nu.
Een herinnering aan het verleden,
passeert soms vaag de revue.

En de toekomst? Ach je weet niet,
wat je nog aan toekomst hebt.
Maar de hoop op plannen maken,
die is langzaam weg geëbd.

En daar moet je maar mee dealen,
met zo’n leven zonder tijd.
Met zijn vluchtige momenten,
dierbaar, maar ook zo weer kwijt.

Dus die vluchtige momenten,
kennen maar heel weinig tijd.
Maar als jij ze zult bewaren,
blijven ze in eeuwigheid.

© Hans Cieremans

 

Leven in de schemering

Als het schemert in je leven,
waardoor werk’ lijkheid vervaagt
en de mist in flarden opduikt,
die vergeten in zich draagt.
Als je leven moet met angsten,
met verwarring, zielenpijn.
Dan zit ik me af te vragen,
wat jouw levenszin kan zijn?

Als de duisternis slechts toeneemt,
bij ’t verstrijken van de tijd.
Waardoor zorgen zich vergroten,
net als je afhank’ lijkheid.
Als geliefden jou omringen,
terwijl jij ze niet herkent.
Dan zit ik me af te vragen,
waarom jij nog bij ons bent?

Maar toch wil ik je niet missen,
want soms door die dichte mist,
zie ik ook wat zonnestraaltjes,
die ik al had uitgewist.
Dan zie ik ineens jouw glimlach,
ondanks diepe duisternis.
En dan voel ik dat jouw ‘hier zijn’
toch nog van veel waarde is.

© Hans Cieremans

 

 

De deur

De deur zit potdicht
en hij gaat pas open.
Als jij bereid bent
met mij mee te lopen.
Laat mij dan even,
vrijheid beleven.
Jij bent mijn code,
mijn sleutel die past.
Als je straks weg bent,
dan moet ik weer vast.
Kom, pak mijn hand,
neem mij mee naar buiten.
Dan vluchten we weg
van deuren die sluiten.

De deur zit potdicht,
hermetisch gesloten.
Dat jij hier was,
is me ontschoten.
Kom met me praten,
ik voel me verlaten.
Kom door die deur,
haal hem van ‘t slot.
Jij bent de sleutel,
die deur moet kapot.
Het mist in mijn brein,
kom me nou halen.
Ik wil bij jou zijn,
als ik ga verdwalen.

De deur blijft potdicht,
maar ik blijf waken.
Tot jij er bent
om open te maken.
Deel met mij samen
vergeten namen.
Haal me dan weg,
weg bij die deur.
waarachter ik huil,
in droefheid en sleur.
Kom, pak mijn hand,
neem mij mee naar buiten.
Leid mij naar de vrijheid,
waar deuren nooit sluiten.

© Hans Cieremans

.

 

 

 

Kalverliefde

Liefdevol kamt hij haar haren
en denkt hoe het vroeger was.
Wapperende bruine lokken,
achttien jaar en groen als gras.
Zachtjes streelt hij dan haar wangen,
net zoals hij vroeger deed.
In hun tijd van kalverliefde,
de tijd die zij niet meer weet.

Zag hij toch misschien een glimlach,
zomaar even een moment?
Heeft zij met gesloten ogen,
dat gevoel even herkend?
Misschien was het maar verbeelding,
weet ze toch niets meer van toen?
Zij geeft op die vraag geen antwoord,
hij geeft haar ontroerd een zoen.

Liefdevol kamt hij haar haren
en denkt hoe het vroeger was.
Wapperende bruine lokken,
nu van zilver, dun als vlas.
Zachtjes streelt hij dan haar wangen,
net zoals hij vroeger deed.
In hun tijd van kalverliefde,
tijd die hij nooit meer vergeet.

© Hans Cieremans