Hun allerlaatste vlucht

Stille tochten zijn gelopen
er zijn bloemen neergelegd.
Rouwregisters stonden open,
mooie woorden zijn gezegd.
Vrije loop hadden de tranen,
heel veel kaarsen zijn gebrand
en we lazen al hun namen
afgedrukt in elke krant.

Op het netvlies staan de beelden
van de kisten, van de stoet,
van de stiltes die we deelden,
bij een allerlaatste groet.
En er klonken warme woorden
van bemoediging en troost,
indrukwekkende akkoorden
door  muziek van de Last Post.

Dit verzacht wel iets de woede
en onmetelijk verdriet.
Maar kan ‘t onrecht niet vergoeden,
heelt de diepe wonden niet.
Slachtoffers en onze vragen
blijven zweven door de lucht
als op vleugelen gedragen
op hun allerlaatste vlucht.

© Hans Cieremans

In de luwte van haar leven

In de luwte van haar leven,
geniet zij van alle rust.
En zij is zich van dat voorrecht
ook terdege goed bewust.
Zij kijkt terug op mooie jaren,
al kent zij ook tegenslag.
Maar ze is gewoon tevreden
en zo leeft ze met de dag.

In de luwte van haar leven
heeft ze rimpels, is ze grijs.
Maar dat maakt haar juist zo teder,
zo beminnelijk, zo wijs.
Zij doet alles nog zelfstandig,
dat gaat goed, zo lang het kan.
En ze denkt nog met veel liefde
aan haar overleden man.

In de luwte van haar leven
slaat de klok haast twaalf uur.
Maar ze kan nog zo genieten,
al is het van korte duur.
Soms kijkt zij naar de pendule,
waaromheen de foto’s staan,
van de dierbare geliefden
die haar al zijn voorgegaan.

In de luwte van haar leven
is er niet veel wat nog moet.
Als de tijd straks voor haar stil staat,
weet ze zeker: ‘Het is goed’.
In de luwte van haar leven,
rond ze af, straks is het klaar.
En wat ik dan nog kan zeggen:
‘God, wat hield ik veel van haar’.

© Hans Cieremans

De mantel

’t Lichaam is je levensmantel,
die je draagt en die je past.
Waar je zuinig op moet wezen,
ook al is hij niet kreukvast.
Want eens gaat je mantel slijten,
blijft niet meer je favoriet.
Al herstel je nog wat plekken,
lekker zitten doet hij niet.

Ook de kleur zal gaan verschralen,
zit je jas te krap of wijd.
Toont hij sporen van slijtage,
ingesleten door de tijd.
Soms dan vallen er zelfs gaten,
is hij hier en daar gescheurd.
Niets valt meer te repareren,
is het met je jas gebeurd.

En dan wordt je levensmantel,
of begraven of verbrand.
Maar die jas die jou beschermde
zat slechts aan de buitenkant.
Zo gaat het met alle mantels,
ze verdwijnen vroeg of laat.
Maar in die mantel zat iets anders,
iets dat nooit verloren gaat.

© Hans Cieremans

 

 

The circle of life

In ‘t toneelstuk ‘de passanten’
zijn de rollen uitgedeeld.
Hoofdrolspelers, figuranten,
iedereen doet mee en speelt.
Maar eens luiden slotakkoorden
valt het doek en dooft het licht.
Spreekt men mooie afscheidswoorden,
de theaterdeur gaat dicht.

Na ’t toneelstuk ‘de passanten’
wordt het leeg in de foyer.
Mengen vrienden en verwanten,
zich weer in de mensenzee.
Als de bühne dan weer vol is,
het toneelstuk verder gaat,
dan weet ieder wat zijn rol is,
ook al stopt die vroeg of laat.

Het toneelstuk ‘de passanten’
kent geen script, geen regisseur.
Steeds voor nieuwe aspiranten
opent de theaterdeur.
Daar leren de jonkies spelen,
ergens achter een coulis.
Waar ze rollen gaan verdelen,
al sinds mensenheugenis.

Het toneelstuk ‘de passanten’
daar doet iedereen aan mee.
Hoofdrolspelers, figuranten,
maar eens is het echt passé.
Toch, het stuk zal nooit verdwijnen,
want na iedere passant,
gaan de lichten steeds weer schijnen
voor een nieuwe debutant.

© Hans Cieremans

 

 

Als je vrede wilt bereiken

Als je vrede wilt bereiken,
moet je praten met elkaar.
Niet met zout in wonden strooien,
dat is een verkeerd gebaar.
Dan wordt haat juist aangewakkerd,
‘t doet de vredeswens geen goed.
Vallen doden en gewonden,
wordt applaus besmeurt met bloed.

Als je vrede wilt bereiken,
is het machtsvertoon verkeerd.
Want daaruit komt nooit een winnaar
en de toestand escaleert.
En de trots van overwinning,
legt de onmacht schrijnend bloot.
’t Is één grote schijnvertoning,
overschaduwt door de dood.

Als je vrede wilt bereiken,
moet je soms de minste zijn.
Moet je elkaar accepteren
en bestaat geen scheidingslijn.
Het journaal toont ons weer beelden
en die maken mensen moe.
Mensen juichen, mensen sterven
en ’t leidt niet naar vrede toe.

© Hans Cieremans

Stilte (4 mei)

In de stilte wordt geluisterd,
waar geschreeuw niet wordt gehoord.
Want de stilte is veel sterker,
dan de herrie die verstoort.
Stilte brengt de mensen samen,
bij het zwijgend witte graf.
Waar de vrijheid, zwaar bevochten
ons een nieuwe toekomst gaf.

Waar eens wapens herrie maakten,
met hun dodelijk geweld,
heerst alom de kracht van stilte
op een vredig ereveld.
Waar de graven duid’ lijk spreken,
in een taal die men verstaat.
En die herrie van de schreeuwers,
met een overmacht verslaat.

In de stilte wordt geluisterd,
waar geschreeuw niet wordt gehoord.
Want de stilte is veel sterker,
dan de herrie die verstoort.
Zelfs twee luttele minuten
overstijgen het geschreeuw,
door de stilte van de helden,
nu al bijna driekwart eeuw.

© Hans Cieremans

De straat

Ik loop door de straat,
waar ik eens werd geboren
en waar ik als kind heb gespeeld.
Veel van wat was,
dat is nu verloren,
de straat heeft een eigentijds beeld.
De stoep is versmald,
parkeerkommen kwamen,
auto’s staan nu voor de deur.
En op die deuren
zie ik vreemde namen,
het stelt me een beetje teleur.

Want hier in de straat,
staat het huis waar ik woonde,
dat huis is gemoderniseerd.
Het huis waar mijn ouders
me wasten, verschoonden
en waar ik mijn jeugd heb verkeerd.
Het huis met lavet,
een kachel op kolen,
een wastobbe, een gasfornuis.
Dat huis met een tuin,
een grindpad, violen,
zo was ooit mijn ouderlijk huis.

Ik loop door de straat,
waar ik eens werd geboren
en waar ik als kind heb gespeeld.
Veel van wat was,
dat is nu verloren,
de straat heeft een eigentijds beeld.
Daar leefden mijn ouders,
gelukkig, tevreden.
Daar zorgden zij altijd voor mij.
En soms verlang ik
naar dat mooie verleden.
Ach ja, die tijd is voorbij.

© Hans Cieremans

Gewoon Mies

Zaterdagavond,
de straten verlaten,
Nederland zat bij de buis.
Eén van de acht,
de mensen die zaten
bij de tv, lekker thuis.
Wat nu over blijft
zijn vrolijke beelden,
zwart-wit had toen al veel kleur.
De warme sfeer,
die Mies met ons deelde
hield mensen binnen de deur.

De lichten zijn uit,
het doek is gevallen,
de lopende band loopt niet meer.
De spot staat op zwart
en geen bingoballen,
zo is het nu eenmaal een keer.
Voor Mies kwam de dag,
die niemand zal missen,
de dag van afscheid en pijn
Een tijdperk verdwijnt
achter coulissen.
Nooit meer als toen zal het zijn.

Dag lieve Mies,
we zullen je missen,
koningin van de tv.
Herinneringen,
die niet zijn te wissen,
moeder, vriendin, coryfee.
Wat jij mensen bracht,
bemoedigde velen.
’t Is iets wat nimmer verdwijnt.
We hopen dat jij nu
een hoofdrol mag spelen,
daar waar de mooiste spot schijnt.

© Hans Cieremans

 

Kindermisbruik

Omringd door de zorg,
maar jij was niet veilig.
De liefde geboden
was onecht, schijnheilig.
Je pijn toen verkregen,
werd angstig verzwegen.
Beschadigd vertrouwen,
het voelde verkeerd.
Je toekomst onzeker,
getraumatiseerd.
Je ziel vol met krassen,
het ‘waarom’ blijft knagen.
Het antwoord blijft steken
in duizenden vragen.

Maar je moet verder,
je bent nu volwassen.
Ze worden nu zichtbaar
je sporen, je krassen.
Je kunt ze nu delen,
want er zijn velen.
Vertrouwen  herwinnen,
waar dat ontbeert.
Tranen gaan wissen,
waar het frustreert.
Je zoekt in het leven
weer veilige plekken,
waar jij echte liefde
nu hoopt te ontdekken.

Geloof vol met deuken,
vol twijfels, geschonden.
‘t Werd vaak misbruikt
bij het slaan van je wonden.
Geloof dat je kwetste,
je leven verpestte.
Maar nu ben je sterk,
jij kwam er doorheen.
De leugen kwam uit,
je staat niet alleen.
Geloof in de liefde
om verder te leven.
Want sterk is de liefde,
die jij door kunt geven.

© Hans Cieremans

Vroeger

Vroeger bij de kolenkachel
was het altijd warm en knus.
En de straat was altijd veilig,
hing het touwtje uit de bus.
En de melkboer en de bakker,
kwamen daag’ lijks aan de deur.
Zogen wij op toverballen,
die veranderden van kleur.

Soms dan keek je televisie
bij een buurvrouw op de hoek.
En we liepen op sandalen,
meestal  in een korte broek.
’s Zondags kreeg je mooie kleren
om naar zondagsschool te gaan.
En we kregen ook een snoepje,
na een lepel levertraan.

Bij een vriendje ging je sjoelen,
als het regenachtig was.
En de schoolmelk, niet te drinken
dronk je lauw op in de klas.
En je ging de school pas binnen,
door eerst in de rij te staan.
Mochten wij op een commando
klas voor klas naar binnen gaan.

Af en toe word ik weemoedig,
de verandering is groot.
Kind’ren spelen met mobieltjes
en de IPad op de schoot.
Alles draait nu om prestaties,
iedereen die heeft het druk.
Maar herinnering aan vroeger,
die is blijvend, gaat nooit stuk.

© Hans Cieremans